Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

038 Het Leven en Karakter

Onbewoond eilandje, welk hij, ter eere van wijlen de Hertogin van Norfolk, Norfolks Island noemde.

Van Nieuw - Zeeland nam hij over de onmeetlijke Zuidzee eenen weg, voor hem nog door niemand beproefd; naar Kaap Hom, en leide, in den rijd van zes weeken, eenen weg van vijftien honderd zeemijlen af. — Aan Kaap Hom vond hij hetfchoonfte weêr en eene windftilre, welke hij hier in 't geheel niet verwacht had. De Kapitein en zijne geleerde Dischgenooten , de beide Heeren Forster. en de Heer Sparman, vonden op Tierra del Faego voor de laatfte maal gelegenheid, om door eene zeer gevaarlijke jagt aan al het fcheepsvolk versch, gezond en aangenaam vleesch te bezorgen, en voor alle de Leden van dit gezelfchap was het eene zeer aandoenlijke blij.ifchap, eene menigte van honderd twintig menfehen verkwikkende fpijze te verfchaffen, welke hun, na het zoo lang onafgebrooken genot van pekelvleesch, dat bijkans drie jaar oud was, teffens voordeelig en ongemeen welfmaakende was. — Over 't algemeen verdient hier aangemerkt te worden, dat het gemelde Dischgezelfchap, geduurende de geheele reize, het gevogelte, welk zij gefchooten hadden, zeer gewillig met het overige fcheepsvolk deelde, en bijzonder de kranken mildlijk daar van voorzag. Deeze zorgvuldigheid maakte den Kapitein, die anders een weinig ftuursch was, en dikwijls een onvriendlijk wezen liet blijken, bij het fcheepsvolk zeer bemind, en deed het volk, in het grootite gevaar, en bij vorst, regen en fneeuw, en gebrek aan gezonde en voedzaame fpijzen, aan den zuurften arbeid met moed .de handen flaan. — De overige Scheeps-bevelhebbers waren niet zoo milddaadig; zij behielden hunnen voorraad voor zich zeiven. — Na de verlaating dier woeste en eenzaame gewesten, welke lieden, aan zulke naare tooneelen niet gewend, eenen killen fchrik en ijzing inboezemen, kwamen cc Eilanden van Zuid-Geergie en Sandwich land "ten voorfchijn; in vergelijking met welke zelfs het barre Staatenland en Tierra del Fuego weder Paradijzen zijn. — Ijs cn fneeuw, hemel hoog op een geftapeld, en dicht aan zee eenige laage onbedekte klippen, alwaar in eene kleine verdieping Hechts eene foort van gras (/), en eene zuidJijke plant (m_) kommerlijk groeiden, en waar alleenlijk,

traage

(/) Daclylis glomerata. (ra) Ar.cijlrum decumbens.

Sluiten