is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

448

P. du Bosc,

ben, en deeze menfchen willen, dat Hij ons in twijfel, in vreeze, in mistrouwen, in onzekerheid laat blijven. Is dit niet wit en zwart, licht en duisternis? is dit niet eene volkomene ftrijdigheid, eene volmaakte tegenftelling? — Ja maar zeggen zij: „ wij twijfelen niet aan de beloften ,, noch aan de leer van God, in het algemeen: wij om„ heizen dezelve volkomen ; wij zijn zeer overtuigd van „ derzelver waarheid en onveranderlijke vastigheid; wij „ houden ons verzekerd van de verdiensten van Jefus, „ van de volmaaktheid van zijne offerande, van de kracht ,, zijner voorbidding, en van de verwerving der zaligheid „ door Hem voor alle de geloovigen: in dit opzicht heb„ ben wij door hem eene volle vrijmoedigheid en een „ volkomen vertrouwen. Maar het geen onze twijfeling „ uitmaakt, dat is de toepasfing deezer leer en deezer be„ loften op onze perfoonen : wij twijfelen of ze ons wel „ in het bijzonder raaken ; wij twijfelen of wij wel be„ hooren onder het getal der geenen, die daar van deel„ genooten gemaakt zijn, en die daar van de uitwerkende „ kracht ondervinden." — Dan, de Apostel Paulut ftoot dit denkbeeld geheel om verre, wanneer hij in onzen tekst van het geloof fpreekt. Want wat is het geloof anders dan de bijzondere toepasfing van de leer en'de beloften, welke ons in het Euangelie worden voorgefteld ? Gelooven is niet anders dan dezelve te omhelzen , aan te neemen , en in het harte te huisvesten om 'er de vruchten van te plukken. —- Maar, zeggen zij hierop: „wij wee„ ten niet of wij het'geloof wel hebben , en dit baart „ onze bekommering." — Welk eene vreemde en in de daad wonderlijke zaak, dat men zou konnen twijfelen of men het geloof heeft of niet ! Want immers alle bedrijven en werkingen, welke in ons zijn, brengen met zich gewaarwordingen, welke van zich zelve onfeilbaar zijn, en ons geen twijfel overlaaten. Een mensch welke leeft, gevoelt en weet waarlijk dat hij leeft; en het geloof is het leeven van onze ziel, de rechtvaerdige zal door zijn geloof leeven, (Hab. Iï: 4. Rom. I: 17.) Een mensch welke ziet, is ten vollen overtuigd dat hij ziet; en het geloof is het gezicht van onzen geest; wij zien nu als in eenen fpiegel, zegt Paulus, Ci Cor.XIII: 12.) Een mensch welke wandelt, weet ten klaarflen dat hij zich beweegt en voortgaat; en het geloof is zoo veel als de gang van ons geweeten; wij wandelen door geloof, zegt dezelfde Apostel, Ci Cor. V: 7.3 Wel mijne VriendenI Zouden wij het geestelijk en wederge-