is toegevoegd aan uw favorieten.

Den Hollandschen weeklykschen nieuwsvertelder

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LOUW en KRELIS.

N°. 12. 21 Maart 178Ö. Louw. Tk wensch je een goeden Avond, Vrind Krelis! Is 't met het

1 Ligchaamsgeftel nog in goeden Welftand 1 Krelis. Ik heb het 'er nog gezond meê, Vrind Louweris! Zyt gy mede nog welvaarende ? „ .

Louw Ik bevind my volkomen wel; maar myn Gemoed, Krelis! i> zeer ongerust wegens het Lot van Utrecht. Hebt gy ook eenig bericht hoe de Zaaken aldaar gisteren zyn afgeloopen ?

Krelis. Neen, Vrind! Ik weet 'er nog mets van. Ik hoop ten beste voor de Burgeren. De Zaak^al zich fpoedig openbaaren. — Laat ik u mededeelen het Vyf de Vervolg myner

Korte Aanmerkingen over de V RY HEID, met betrekking;jp *w gemeenebest; en by wien het OPPERGEZAG in iietzelve huisvest. Voor de Tyden van Julius Csefar vindt men van de eerfte Bewooners deezer Gewesten niet gemeld, en Tacitus is de eenigfte Schryver die'er eenigzms breedvoerig vanfpreekt; en by wien, ten opzigte der Duitfche Volken, de Batavieren den lof hebben van de dapperftenen Vryheidlieyendften tezyn geweest, en nooit door eenig ander Volk dienstbaar gemaakt hebben kunnen worden. Zy zyn wel Bondgenooten van de Romeinen geworden, maar hebben altoos hunne Vryheid weeten te behouden en te befchermen ; zoonde^ zich-zelven, wegens hunne gemeene Zaaken, als tegen hunne Vyanden vaa buiten. Zeer kort bevat deeze Hiftorifchryver in zyne Zeden der Duitfche» hunne Regeeringswyze, zeggende, dat over gemeene en geringe dingen by de voornaamfte Heeren alleen wordt beraadflaagd; maar dat over gemgtige Zaaken de Gemeente te famen raadpleegt; evenwel zo dat alle die Zaaken , iA welken het Volk ftem heeft, mede by de voornaamfte Heeren worden verhandeld. Iadedaad geene andere Regeerinswyze, dan thans met recht door geheel het weldenkend Volk van Nederland begeerd wordt van Stad tot Stad herfteld te zien. Men moet echter hier voor de Gemeente niet neemen al het Volk, hoofd voorhoofd, of het Gemeen; maardeachtbaarfte, aanzienlykfte en bekwaamde Mannen, door het Volk daartoe gerechtigd. Waaruit dan klaar geneeg te bevatten is, dat het Oppermagtig beitier altoos in den boezem des Volks is blyven berasten, en van ouds het kenmerk van deszelfs Burgerlyke en Staatkundige Vryheid zy geweest. Dat ook dit zelfde vry vermogen by alle de Duitfchen ten hoogtten plagt gehandhaafd te worden blykt mede uit Tacitus Jaarb. II. naar 'temde, daar hv zet, dat Arminius zich in den haat by zyne Landslieden had gebragt, ent dat hy naar de Koninglyke heerfchappy ftond, waarentegen zy hunne Vryheid. poosden te behouden. ■

'Er is ook geen bewys in de Gefchiedfchnften, voor zo verreik weet, te vinden, dat de Volken deezer Nederlandfche Gewesten, zo Batavieren als Friefen, zo Sikambren, als Uzipeten en Saliers, of Gelderlcheri, Zutphenaaren, Overysfelfchen, en anderen daaromtrent, als de labanters, Tenkters, en verder naar Groningen, onder andere oude benaamingen woonende Volken, gelyk ook het Mattiafcheof Zeeuwiche VoDc,

ï* 3