Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pf. 138: 8. Laatfte lid. II. Afd.

(3) Openb. 6: 10.

hunne gangen in Kristen bloedpjasien doopten, zo hebben zy immers Gods werk niet kunnen uitroeijen, neen! God. hield het in de bloedgetuigen leevendig. Schoon zy wel door wreed moord* geweld het ryk des doods ingingen, zo waren hun Gods dok en daf, in het dal der fchaduwe des doods tot fteunzels van bedaan en vertroostingen. Dit werk van Gods liefde en genade volgde hen aandonds na, en deed hen rusten van hunnen arbeid en geduurigen dryd, die zy hier op aarde . hadden, en daar zy die niet hebben kunnen voleinden , zo hoort men ze van onder den altaar der verzoening tot God bidden, om zyn werk te handhaven tegen het moordgeweld der vyanden: Hoe lang, 0 heilig en waarachtig Heerfcher, oordeeld en wreekt Gy ons bloed niet van de geenen die op

234 De zegenpraal van de

ben, door dien zy bloedfchulden aan bloedfchulden deeden raaken, en de vaste deunzels van hun wyduitgedrekt ryksgebied deeden waggelen. Schoon zy

De bloedi ge vervolgingen zetten dit werk voort,

de aarde woonen (y)! Of zou het beter zyn geweed, dat God die geweldige heidenfche Vorsten uit hunne Ryksdoelen had verdreeven, of ter nedergeveld, en hun belet had het bloed der Heiligen te doen droomen? Neen! God is doorgaands gewoon zo voor zich, als zyn volk, zyn werk op het luisterrykde te handhaaven. Als de vyand heeft

uit-

Sluiten