Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3a Gemeenzaams Brief.

zaligheid deelagtig te maaken.. Dan kan en moet ook deeze weerenfehap der vejkiezinge grootelijks in aanmerking komen, en van een kragtigen iavloed zijn in het Huk der uitwerkinge van de Zaligheid.

Indien onze Leeraar hier op gelet had, dan zou hij, op de gemelde bladz. 2e8, bedagt«iaamer hebben gefprooken, dan hij nu doet met te zeggen: ik begrijp, dut mij ui, leur der voorbeschikking, en van alUs wat God voor zici verborgen beeft, in bet fluk der uitwerkinge van mijne taligheid, zoo weinig behoort op te houden , of zelfs bij ■mij^ in aanmerking te komen, als of bet ''er niet ivas. Er is een groot onderfcheid tusfchen uitwerking van mijne zaligheid, en tusfchen het eerfte aandeel aan de zaligheid te verkrijgen; gelijk 'er ook een groot onderfcheid is tusfchen door iets opgehouden te worden, of het in aanmerhing te neemen. Niemand kan zijne zaligheid uitwerken, of hij is dezelve in de beginzelen deelagtig geworden, en heeft dus Christus aireede waarlijk door het geloof aangenomen. Y.n dan behoort, ten opzigte van zulk eenen, de Foorbefchikking niet langer onder het geen God voor zich verborgen heeft, maar onder die dingen, welke reeds door de uitkomst zijn bekend geworden, en welke iemand zoo zeker kan weeten, dat God dezelve van eeuwigheid had beflootcn , als ik, die dit tegenwoordig fchrijf, met volle zekerheid weet, dat God van eeuwigheid had bellocten mij 'tot op dit tijdftip leven en vermogen te geeven , om dit te kunnen fchrijven. Die a'dus zijne eeuwige verkiezing , bij de uitkomst en door de uitvoering van dit Goddelijk béfluit, weet, die wordt geenszins door de lea" der Voorbefchikking opgehouden, maar in tegendeel kragtig daar door aangezet, om zijne zaligheid uit te werken. Bij deezen komt die leer zoo fterk in aanmerking, dat ze eenen heilzaamen invloed heeft, niet alleen tot'vertroosting, maar ook tot dankbaarheid, ootmoed, nederigheid, vertrouwen, hoop, en andere Christelijke deugden, waar door hij God verheerlijkt, en in waare Godzaligheid leeft. Men zie dit Rom. VIII. EpH. I. en elders.

Op die wijze, gelijk men weer, denken wij Gereformeerden Over het leerftuk der eeuwige verkiezing; zoo wordt het in onze 'Kerken gepredikt; en zoo denkt 'er ook, buitèn twijffel, de Leeraar over, die in het Dagboek fpreekt. wijl hij anders niet als een Leeraar in de Hervormde Kerk zou kunnen befchouwd worden. De ■uitdrukking van uitwerking der zaligheid zal hem, bij gevolg,

Sluiten