is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ST0LP1AANSCH LEGAAT. 199

Doch wij zouden ligtlijk te verre gaan. Deeze proeve zij genoeg.- De algenoegzaame God zegene den arbeid van den gódvruchtigen Schrijver , met het beste oogmerk aan deeze'Verhandeling bedeed, tot bloei van den Christlijken Godsdienst!

De Geest der Hebreeuwfche Poëzie, door j. g. herder, uit het Hoogduitsch vertaald. Vierde Stuk. Te Leijden lij j. van Tiffelen en B. Onnekink 1787. behalven het Voorwerk, met den Bladwijzer en Aanhang/el 303 Bladz. in gr. Svo. De Prijs is f 2-2-:

Dit vierde duk levert niet minder dan de voorgaande blijken op, dat wij in onze Beoordeelingen van het Eerfte j ftuk niet misgetast hebbent: men zal ook in dit ftuk veele 3 fchoone en weetenswaardige bijzonderheden, aangaande de Hebreeuwfche Poëzie ontmoeten, dan ook zeer veele 1 gewaagde en onbeweezen Hellingen, die wij niet wen1 fchen, dat algemeen in den ftnaak zullen komen; die de Heilige bladeren zoo luchtig behandelt , is niet zeer i bevriend met eene Godlijke Ingeeving — wij raaden wel I de leezing van dit ftuk aan, maar verzoeken, dat zij gefchiede met omzigtigheid. Wij vertrouwen, dat een \ Hervormde meer door den Geest van Jehova verftaan zal s dan den Israëlitifche Nationalen geest, gelijk onze Schrijver, bladz. 27.

Wij keuren het zeer goed, dat de inhouden van de Verhandelingen zoo gefchikt zijn , dat men ze voor ieder ; ftuk plaatzen kunne. Wij wenfchen, dat, wanneer het ver1 volg van dit werk het licht zien zal, het ook vertaalt worde, op dat de Nederlandfche Geleerde, die met het Hoogduitsch zoo gemeenzaam niet is , van het zelve ge< bruik maaken kunne.

Wij zullen den Inhoud van dit ftuk opgeeven, gelijk hij hier vooraan geplaatst is: dit ftuk behelst ook .zes verhandelingen, naamlijk de 7. 8. 9. 10. ïi. en 12de.

De eerfte of de 7de behandelt de zege-zangen der Israëliten; gij vindt 'er: ,,De Gefchiedenis van Bileam in 't i licht van dien tijd befchouwd. Neiging der oude ruwe I volkeren, vooral in 't Oosten , tot Zegen - fpreken, en Voor; fpelling - kunsten. Verdiensten van Mofes daarentegen. Oogmerk van het bron-lied, dat hij aanhaalt. Droom en Geest-verrukking enz. der Voorzeggeren en Zegen-fprekeren. Gezicht van Bileam. Oogmerk daar van. Waarfchijnlijkheid in zijne ziel. De Zegenfpreking zelve. Door N 4 wien