Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jt L IJ S P E L. 27.

men 't dan een' man rechtftreeks in 't aangezigt zeggen, dat men geen behaagen in hem vinde?

G u li l 1. Gij vraagt 'er mij immers naar!

- s a m u ë L.

Dit zij zoo. En dan dat boerachtige gij. Ik raade 't u, als uw vriend, Mifs! wen u dat af.

GURLI.

Mijn vader heeft het mij ook reeds dikwerf verbo- t den; maar Gurli moet altoos lagchen, als Gurli met • één' éénig' mensch zal fpreeken als of 'er een half,; douzijn waren,

S AMUëL.

Dit is nu echter bij ons het gebruik.

GURLI.

Nu, ja; ik kan u ook wel u noemen, als gij hel

volftrekt zoo wilt hebben.

S a m U ë L.

Wanneer ons eens aangenaamer banden mogtenveBeeoigen, zoo is 'er immers nog altoos tijd...

GURLI.

Ha, dat heeft tijd genoeg.

s amuöl; ter zijde. Ik moet nader koomen.

c u r l 1; geeuwende. Ik heb niet uitgeflaapen!

SAMUëL; ter zijde. Maar met voorzigtigheid! met voorzigtigheid!

cue"

Sluiten