is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

444 VERHANDELING TEGBN

hoogfte aller menfchen Sterftijd, tot het laatfte oogenblïk Ue, - dat onze leevenswebbe zal worden afgefneden; bij zich zeiven bepaald hebbe. Maar , daar en boven bouwen wij op eene tweede vooronderftelling , waar bij wij een Weini°fhlftaan moeten ; Naamlijk, dat het den Grooten Albt ft uur der behaage, dien bepaalden Sterftijd voor ons verborgen te houden. Dat wij niet kunnen vooruitzien wanneer wij aan den eindpaal van onzen leevensloop koomen zullen leert ons; behalven de dagelijkfche ervarenheid, *s hée. ken woord vrij klaar Pred. IX: 12. Pfalm. XXXVII: i?. Luk. XII: 19. Jac. IV: 14. voeg hier bij de betuiging van den Grijfaart Izaak Gen XXVII: 2.

Dewijl nu het niet weeten van den tijd, wanneer het doodvonnis over ons zal worden ten uitvoer' gebragt, nergens, hoe gewichtig die zaak ook zijn mag , in de H. Schrik als eene laakbaare onkunde en zondige onverfchiiligheid wordt befchouwd en beftraft, befluiten wij, dat men het niet wseien in deeze voor een niet kunnen, ja een niet moogen weeten houden moet, en, wel om dat onze Groote Richter den tijd der uitvoering van dat ontzaggelijk vonnis aan zich gehouden, nooitontdekt, nimmer afgekondigd heeft,

§.11.

Trouwens waaren wij Stervelingen bewust, op wat tijd ons de dood zou afmaaijen, wij zouden 't leezen moeten, of door anderen ons laaten voorleezen uit een van Gods twee groote Boeken; liet Boek der H. Schrift, of dat der Natuur; (want te ftellen, dat elk deswegens op zijne begeerte eene onmiddelijke openbaaring van het hemelhof krijgen kan, is te ongerijmd, dan dat wij 'er ons een oogenblik mede zouden ophouden,) Hier ftaat dan te onderzoeken, of ons de daar genoemde Boeken in dit geval 'van nut zijn.

Het Boek der H. Schrift kan ons zeeker daar toe in het geheel niet dienen. Wij vinden daar geen lijst in, waar op de naamenen Sterftijden der menfchen, die tot den Jongften dag toe 00 den aardbol leeven zullen, gefchreeven liaan. Ook geen merkteekenen hoe genaamd; waar uit een kundige zou kunnen bereekerien, hoe verre zijn eigen leeven, 'óf dat van zijne naiuurgenooten zich uitftrekken zal. Al wat te vooren gefchreeven is, is tot onzer leering gefchreeven. De II. Schrijvers zonden ons dan gewisfelijk op eene geheel anderen toon over het niet weeten van onzen Sterfdag, (als wij hier boven hoordenj onderhouden hebben , indien zij zelfs ons de eindpaakn van ons keven hadden aangeweezeit.

§• 111=