is toegevoegd aan uw favorieten.

Saamenspraaken over de Hebreeuwsche poëzy.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*3S NEGENDE SAMENSPRAAK en ging weg en zat tegen hem over,

op den afftand van een boogfchoot;

„ Want, zeide zy , ik mag niet zien

„ den knaap «erven. " Zy zat tegen over,

verbette de ftemme, en weende.

God hoorde des Jongens geween.

De Engel Gods riep haar toe van den Hemel;

„ Wat is u Hagar? Vrees niet!

God heeft verhoord des Jongens ftemme,

Die daar ligt. -—. —,

Staa op en neem hem op, • en fterk uwe hand aan hem; Ik zal hem eens tot een groot Volk maaken". —m

Toen opende God haare oogen ,

en zy zag eene bron,

ging heen, en vulde den lederen zak,

en drenkte den Jongen.

En God was met hem ; Hy groeide op,

en woonde in de Woeftyne,

en wierdt een Boogfchutter.

Even aandoenlyk wordt de gefcbiedenis van den weenenden Efau verhaald, toen hy den zegen niet verwerven konde, die door het noodlot op Jacób was bepaald, Wy zuilen de beide zegen-