Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«34 IEIZE NAAR

water zijn bedekt geweest en door de overflaande golven uitgehoold , gefcheurd en ongelijk geworden. Zij hebben ook beftendig dezelfde gedaante , als die, welken thans nog onder het water liggen, en fchijnen haare kaale kruinen als boven de oppervlakte der zee opgedoken te hebben. Zij zijn daarbij kaal, zonder boomen, zonder ftruiken, en nauwlijks hebben eenige grasfoorten tijd gehad, om in de holen wortels te fchieten en zig te verménigvuldigen. Ondertusfchen zijn dezelven évenwei fterker bewoond en bevolkt, dan men zou denken. Nauwlijks vind men eene kleine laagte, waar een weinig gras wast, daar niet een inwoner zig neergezet heeft, om dezelve te nut te maken. De meesten onder dezen zijn zogenoemde Injïen, of huislieden, ■die deze plaatzen van de eigenaars huuren. Zij géVen hun jaarlijks een paar dalers pagt, en zijn tévens verpligt, vier dagen in het jaar om niet, en anders tégen betaling, voor hen te arbeiden. De eigenaar kan hen, wanneer hij wil, zonder hen te voren te waarfchouwen, wTeg jagen , mids dat hij hun de kosten, die zij tot het land aangewend hebben, en het zaaikoorn betaalt. Wijl de plaats, die zij bewonen, gemeenlijk niets anders dan gras voordbrengt, en niet toereikend is, om er van te beftaan, léven zij bijna geheel van de vischvangst, waar toe deze klippen en icheeren zeer gefchikt zijn. De groötfte, bekwaamfte en voordéligfte der visferijen in dezen oord is de groene fchelvischvangst, gadus virens linn. Deze visch onthoud zig in groote ménigte in de hier zijnde fcheeren, en wijl dezelve tévens digt onder het land loopt, word hij zonder

Sluiten