Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. öj

JULIUS.

Heeft men ooit iet zo onbillijk gehoord! de voornaamfte drijfveêr der menschlijke natuur te vergelijken met de grillen van eenige dwaazeni

GUIDO.

Van eenige dwaazen? — gij raastl — Ik veracfit u! hoe diep ftaat gij beneden mij! ik boude mijne aandoening door traanen voor zwakheid — maar tot dien trap mijner zwakheid is uwe deugd nog niet eens geklommen.

JULIUS.

'T is altijd uw gebrek geweest, over gewaarwordingen te oordeelen dié gij niet kent.

GUIDO.

En daarbij nog altijd om het derde woord van deugd te zwetfen! — ik geloof dat wanneer gij nu eens het toppunt uwer wenfehen zult bereikt hebben , en gij uw' vader op de baar ziet, datgij dan, in plaats van ha gedaan werk te rusten, de lijkdraagers nog zult onderrichten, wat de deugd is of wat zijniet is.

JULIUS.

Hoe heb ik mij bedrogen! zijt gij niet weder in uw' gewoonlijken toon ?

GUIDO.

Hoor Julius, gij hoopt op zijn dood! kunt gij 't lochenen? denkt gij voor mij te verbergen dat gij dan het meisjen uit het klooster wilt ontvoeren? — 't is waar, dan zijt gij Vorst van Tarente, en il; ben niet E meer

Sluiten