Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. lij

„ federt eenigcn tijd, behandeld worden; wij moeten iemand derwaards zenden , die, zo als men >, zegt, den grond peilt; een' man van een voor„ beeldige kennis, van eene verfijnde levenswijze; in „ 'tkort, gij begrijpt mij? gij zijt een menscbken„ ner, fla er mij zulk eenen toch eens voor!" vergeef het mij, mijn vriend ! uw naam ontflipte mijne lippen: de Minister kende u niet, ik befchreef u: de vriendfchap beftuurde mij, en hij beloofde mij den Vorst er over te zullen fpreeken: dat zal ik ook doen, daar kunt gij u gerust op verlaaten, en mijn credit is niet twijfelachtig: ik vraag zelden iet; en hem, «lie zelden vraagt, wordt zelden iet afgeflagen: maar apropos, mijn waarde! hoe vaart Juultje! mijn hart is zo vol van haar; ik kan aan niets anders denken, van niets anders fpreeken, dan aan en van haar. . morits. Dat doet mij leed; want Juultje wil en zal met den Graaf Stierenbock niet trouwen.

stierenbock. Zij wil niet? — zij zal niet? hoe begrijp ik dat? morits.

Woordlijk, als 't u belieft: zij v/il niet om dat haar zin, zij kan niet om dat haar hart het verbiedt. stierenbock. Haar hart? — a ha! daar heeft men mijne befchroomdheid een verduivelden trek gefpeeld: men heeft mij gefupplandeerd? men is mij voorgekomen?

ge-

Sluiten