Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T-OONEELSPEL. 29

in zig zelf gekeerd; terwijl hem, in werkeloosheid, de zucht naar daaden en roem verteert.

AGATHA.

'T is zo! en de vrolijkheid des jongften wordt te rug gedwongen.

PR AVE.

Onderdrukt! want zij werdt uitfpoorig.

AGATHA.

In plaats van der Natuur haaren loop te laaten, wordt hem het eenzaame leven zijns norfchen broeders, als een voorbeeld ter navolginge, aangeprezen: lieve man! ik vrees, dat gij eenig verwijt verdient , als de broeders elkander haaten, of als men Lodewijk van geveinsdheid befctiuldigen, kan.

Ti H A V E.

Haaten? de oudfte haat zijn' broeder niet: haat zijn broeder hem? — erg genoeg!

AGATHA.

Beminnen kan hij, bij zulk een behandeling, waarlijk niet: hij haat hem niet — maar hij is koel; zij hebben tegen elkander nu reeds federt een vierdendeel jaars niet gefproken.

DRAVE.

Dit moet een einde hebben! zij moeten elkander fpreeken, zig onderling verklaaren, en alles zal goed zijn — Lodewijk houdt veel van u: overreed hem, dat bij ziju' broeder vriendlijk ontvange, ik

zal

Sluiten