Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GRENADIER.

19

Jan Vroom, infcbenkcnde.

Gantsch niet Flipje! kom wij zullen er het fchuim eens afblaazen. — (gedronken hebbende ) Jongen ! dat kleeft aan de ribben. (Hij fihenkt en geeft Flip Bartijn) Flip Bartijn.

Gij fpreekt als een Apostel ! — ik heb al een beker van dien Rhijnfchen traan agter de knoopen; maar daar is nog plaats voor een enkel bakje, (gedronken hebbende) Te droes, dat is een biertje , ik weet zoo waar niet , of het me naa den kop of naa de maag loopt; — dat dien ik te weeten — fchenk nog eens in, Grootvorst van Winjewanje. { hij drinkt weder) Kom , alle goede dingen in drieën , zei mijn Grootvader.

Jan Vroom. Bravo! — ik zal u volgen, — het gebeurt ons alle dagen niet. (zij drinken) Flip Bartijn. Praat gij van alle dagen, — die planeet zie ik geen viermaal op een jaar ; — een kopje laauw water is al kermis genoeg voor mij; — nu dat is het zelfde , ik drink dat ook al met zoo veel plailier als een glas bier of wijn. De Hospes. Met zoo veel plaifier ? — dat kan ,in mijn fcoofd niet komen.

B 3 Flip

Sluiten