is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine dichterlyke handschriften. Eerste(-twintigste) schakeering.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84 LOFZANG AAN CERES.

Kan 't zijn, en voerde uw voet u van de kim van 't oost, Tot waar geen dageraad het fombre west vertroost, En waar in 't oog der zon de gulden appelen groeien, Godesfe ? en mocht geen vocht u 't matte lijf bcfproeien, Geen bron u laven, noch geen fpijs uw* dorren mond Genaken, tot ge uw telg in 's roovers armen vondt? Driewerf doorwaadde uw voet des Acheloüs vlieten, En al de ftroomen meê, die langs het aardrijk fchieten; Driewerf zaagt ge Etraa weêr, Sicieljes flreelendst oord; En driewerf zat ge neêr aan 's iMidftrooins groenen boord, Aamechtig, lavingloos, met ftof en zweet betogen!

Dan, zwijgen wij van 't geen de tranen aan heure oogen Ontperste! Nemen wy een blijder cytherflof: 't Ontbreekt ons aan geen' keur in Cercs ruimen lof! Zingt, faaren, hoe heur hand ons wetten mededeelde, Wier zacht, wier lieflijk juk de woelïe volken flreelde; Zingt, fiiaren, hoe ze ons 't eerst in 't haar geheiligd graan, Daar 't op zijn halmen danst, de feherpe zicht deed flaan, De fchoven binden, en de garven famentorfchen, Om door den Herken voet der itieren uit te dorfchen, Wanneer ze aan Triptoleem den veldbouw onderwees. Of liever nog, (op dat de fioodaart krimp' van vrees)

Zingt