Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

160 DE KOOPHANDEL

Een regeering, welke zig volgens beginzelen van finanti emoet gedragen kan zig niet bemoeijenmet middelen om den landbouw te doen bloeijen.

ber beftaan, weinig verzekering hebbende vafi hunne verfchotten weder te vinden, vonden zij zig dikwils genoodzaakt, ter betaling van de lasten, om hunne beesten te verkoopen, ja zelfs

hunne ploegen arm zijnde maakten zij. eene

vertoning van nog armer te zijn, om dat de belastingen, welke perfoneel, en willekeurig waren, vermeerderden zo dra een arbeider maar fchijn van welvaart gaf, in deezen ftaat der zaaken bleeven de landerijen onbebouwt leggen, en

de meeste pagthoeven waren niets waardig >

men kan uit dit berigt opmaken, dat men in het koningrijk van Troijen tijd nodig had, om zig alle die voordeelen te bezorgen, welke men van de vrijheid van den graanhandel moet wagten.

Men- zal zonder twijffel vragen, waarom de Egijptenaars, na dat zij den uitvoer hadden aangemoedigt, denzelven wederom verbooden? 't was om dat zij den invoer niet vrij gelaaten had'

den na dat men eenen ongelukkigen oogst

had gehad, kwam er duurte, en de buitenlanders bragten geene, of ten minsten geene genoegzaame graanen. In deezen zamenloop van omftandigheeden meende de regeering dat zij de nuttelooze voorzorg moest gebruiken, van den uitvoer te verbieden, welke niet gefchiedde, ea niet kon gefchieden.

De Trojanen moesten den graanhandel eene volmaakte vrijheid geeven, en zij moesten tevens alle die middelen doen zamenwerken, wel"'

ke

Sluiten