Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tweede Bedryf. 231 De Heer de Beaufond, de Vader. Bedaar Minne! men zal 'er onderzoek naar doen. Marretje.

Ja Mynheer, maar zo dikke Pieter het wist, wac 'er voorgevallen was, en dat wy nog hier bleven; Hy zou 't my kwalyk nemen.

Mevrouw de Beaufond.

Maar Minne, misfchien heeft Klaas wel eerst begonnen.

Klaas.

't Is niet waar, Moeder; Wy hadden geen fier rufie ; Ik wou hem helpen, ik zeide Broer; „ Wie, „ broer jy? zei hy, en hy gaf my een flag aan de kop. ' ■

Marretje. Die onbefchofte!

Abt Flacourt. • Gy ziet reeds de gevolgen, Mevrouw, welken ik u meermaalen voorfpeld heb! Dat zal van kwaad tot

erger voortflaan. Ik ben verplicht, u myne

vroegere waarfchouwingen te herinneren , om my voor Mynheer te rechtvaardigen.

Mevrouw de Beaufond. Ik zie het kwaad, Mynheer; En, om recht uit te fpreken, ik heb het lang gezien en gevoeld; Maar myne moederlyke tederheid heeft telkens myn oordeel P 4

Sluiten