Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 3? >

ken a's willekeurige dwingelanden aanmerken — wat zeg ik , als onteerdere van de majefteit des volks befchouwen; en hun den gegevenen cerepost onwaardig keuren.

J. Als 'er dan nieuwe wetten noodig zijn, wie moet die maaken ?

E. ligt zelfde volk, — dat de eerfte grondwetten maakte — zij hebben zich als menfchen vereenigd tot eene maatfehappij , hadden dezelfde natuurlijke gelijkheid en rechten —■ verliezen die niet door hunne vereeniging, maaken wetten, die daar mede overcenkomtig zijn, Hellen de verftandigften en deiigdzaamften uit hunner midden voor een tijd aan, om die in hun naam te bewaaren en te handhaavcn — en achten zich allen , als leden van ééne maatfehappij, verbonden, om daar naar te leeven — zie daar de zedelijke gelijkheid.

J. Van waar dan toch zulk eene ongelijkheid onder het menschdom?

E. Zo dra de menfchen hunne waarde als menfchen voor fchatten, gewaande eer enz. veil hadden, en door list, bedrog of geweld zich daar van meester maakten, hebben ze zich zeiven tot tirannen , tot dwingelanden hunner natuurgehooten verheven, of zijn daar doortot flaaven van anderen geworden.

J. Ik gevoel reeds — hoe de mensch, met zijn lot niet te vrede, en te vee! aan het zinlijke verkleefd, zich door heerschzucht, list of geweld boven zijne natuurgenooren verheven, die tot flaaven gemaakt, en zo de natuurlijke en zedelijke gelijkheid geheel heeft weggenomen.

E. Deze echter moet herileld worden, zal het menschdom waarlijk op aarde gelukkig zijn.

J. Hoe zo?

E. Zonder deze gelijkheid zullen wij nimmer elkander hartelijk liefhebben — zonder deze gelijkheid zullen wij nimmer de zedelijke pligten uitoefenen, die wij elkandcrén fchuldig zijn, én waaruit het geluk eeuer maatfehappfj moet geboren worden.

J. Dit va: ik niet recht.

E. Gij zult het wel haast bevatten. Let maar op dit volgende. Als ik mijne medemeui'chen niet aaimeike als mijne E 3 na

Sluiten