Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3» )

ik moet myten mibften laaten welgevallen, dat de Beklaagde zig van dat zelfde Recht tegen my hediene: — en in dat geval, zond* ik het zeer gerustlyk aan anderen ter beöordeeling willen overlaaten, van welk eene flegie reis verre het grootfte dtel der Vrymagtige, der, met voorbyzien van alle gronden van rechtvaardigheid en billykheid, alle» willekeuriglyk en gewelddaadiglyk 't.onderst - boven-keerende, Revolutie-vrienden zoude t'huis komen; — want hoe veelen zouden er onder hun niet te vinden zyn, die ook aangeërfde goederen, of zékere voorrangen van Op. voeding of Stand boven den altoos zo genoemd geweest zynden, en ook nog overal in de daad zo zynden, gemeenen Man bezitten, en welken zy toch waarlyk door niets minder, dan door perfoonlyke verdienften, verworven hebben? — Men zal zig dus ligtlyk laaten overreeden, denk ik, dat de vernietiging van den Adelfland, zo men voorgeeft, ter bevoordering eener hersfenfchiramige Gelykheid der Menfchen, doch, misfchien in de daad, (zo het my voorkomt) niet anders dan uit eene harten- en zeeden-bedervende Duivelfche Afgunst, gefchied, ook al byzonder moet gefchikt weezen, om in ons uit-te - blusfchen dien edelen drift, waardoor wy, in hope en verwagtingopeene wel geëvenredigde en allezins aanmoedigende Belooning, ons vinden aangevuurd tot zoodanige fchitterende daaden, als welke ons, door eene grootmoedige opoffering van onze ziels vermogens, of lichaams krajten, of van die beiden, bet luister* rykst boven onze Medemenlcheri kunnen doen uitblinken; en ons alzo het meest aan hun ongelyk maaken; en tot welke voorrreffelyke daaden wy immers voornaasnlyk. zo niet sileenlyk, door eene gansch-onbelemmerde, eene grootiche, en aan geene banden van Gelykheid vastgekeetende, waare en wezenlyke Vryheid ons genoopt vinden. — Zonder dar, mar myn inzien, daat tegen met grond kan worden ingebragt, dar evenwel, na de vernietiging van den Adel/land in Frankryk, zig aldaar toch Veele groote Staats ■ mannen en doorlugtige Helden hebben opgedaan, welken, zo in de Raadzaalen, als in den Kryg, zig eene onflervelyke Eer verworven nebben. — Want, behalven dat onder die Franfchen, welken, na de Revolutie, 't zy door politieke kundigheden en beleit, of door wakkere ooilogs daaden, de grootfte dienften aan hun Vader, land zouden mogen beweezen, en door den onverwelkbaarfien roem hunne naamen vereeuwigd, hebben, immers niet weinigen zouden te vinden zyn, die wel degelyk uit eenen nobelen Stam zyn voordgefprooten, en die misfchien

Sluiten