Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xxxïi AANSPRAAK aan mijne

gelie, die ten verderve zijn van de zielen dér menfchen, en die men als zoodaanig moet hou-1 den en verklaaren; dit leeren ons de uitfpraakcn van de Apostelen, Gal. I: vs. 6—9, 1 Joh. IV: vs. 1—3, cn V: vs. iö —12.

Jefus geeft ons, ten aanzien van valfche leeraaren, deezen regel: aan hunne vruchten tuit gij ze kennen, Matth. VII: vs. 16. Men mag dan bij nieuwe keringen letten op het gedrag en dc zeden; het is niet te verwachten , dat de goede God , nieuwe leeringen omtrend 's menfchen waar geluk, zal laaten bekend maaken door menfchen, die de voornaame pligten der godlijke Openbaaring, met hun gedrag verloochenen.

Schoon men gevoelens en gedrag mag beoordeclcn , het Euangelie ontflaat ons gcenlins van alle zulke pligten, welken wij, volgends de wet der liefde , aan ongeloovigen en zedenloozen, als menfchen, als bloedverwanten, als medeburgeren, enz. verfchuldigd zijn. Dit leert ons Jefus, Lucas X: vs. 25—37, en Paulus, 1 Cor. Vil: vs. 12—24, en X: vs. 27.

In onze verkeering met zulken, moeten wij,

ons wachten ■— voor hunne gewoonten

en ondeugden — voor alle gemeenfehap, die ons doet voorkomen , eenig deel te neemen in hunne met Gods woord ftrijdende gevoelens en bedrijven — en wij moeten vermijden allen onnoodigen' omgang, en betrekkingen, die wij,

door

Sluiten