is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine dichterlyke handschriften. Eerste(-twintigste) schakeering.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

U DE K R IJ G.

De krijg , wien vlammen vuurs in 'tkoopren voorhoofd branden, Dat monster, heet op bloed , (leeds op verwoesting uit,

Greep dan alleen Wgebied der zuchtende aarde in handen, Opdat zijn arm haar aan verwoesting geev' ten buit?

Neen, nooit zag Caron nog zijn' boot zoo vol geladen,

Nooit fneed de fchikgodin zoo vele levensdraden , Met haar gevreesde hand , als op dit tijdilip af, En dolf voor zoo veel helden 't graf.

De tweedragt, rood van bloed , waar de onfchuld in moest fmoren, Schudt hare toortfen uit en hitst haar flangen aan ,

Wenscht d'ouden mengelklomp op nieuw te zien geboren, Ontroert natuur, vervolgt den mensch op all' zijn paan,

En tracht (leeds dieper in den afgrond hem te (loten :

De misdaad, wanhoop, dood , 't verraad, de deelgenoten En wrekers van al 't kwaad, door haar alleen gebaard, Bedekken faam met rouw deze aard'.

Wat