is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine dichterlyke handschriften. Eerste(-twintigste) schakeering.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

104 DE KRACHT VAN 'T BYGEL00F,

„ Indien uw vrouw, (dus fchreef men my,) Den naam van Herman draagt, dan, Fredrik! zyn uw dagen Vervloekt in eeuwigheid Zy, die gy hebt misleid, Zy is uw zuster i 'k beef voor de ysfelyke plagen * Die u te wachten ftaan — maar gy....

Gy hebt geen fchuld ; uw vaders haat, Hoe buitenfpoorig ook, moet u ten geesfel ftrekken, Daar ik bevel ontving, Nooit eenig fterveling, Ten zy in lyfsgevaar, uw' waren naam te ontdekken;

Zie daar de bron van 't gruwzaamst kwaad."

Ik met myn' vaders haat belaên, Dien 'k nimmer heb gezien ! wat dwaling doet my vreezen.' Heb ik dan kwaad verricht? Bragt ik my zelf aan 't licht ? Myn moeder ftierf door my! deed ik haar moeder wezen ? Waarom deed kunst my niet vergaan ?

Toen 't doodlyk ftaal my vryheid gaf Ten leven in te gaan, waarom toen niet befloten, De huwlyksmin ten loon, De moeder, niet den zoon, Te fparen; hém den dolk in 't lillend hart te flooten, Dan Hiep hy fchuldloos reeds in 't graf. —

Kent