is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine dichterlyke handschriften. Eerste(-twintigste) schakeering.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«4 AFSCHEID AAN EUGEN1US.

Bewogen met myn leed, gevoelig voor myn klagen,

Schiet gy, door niets gefluit, in nood, ter redding aan, En tart, daar gy my helpt den last van 't noodlot dragen,'

Het dreigend ftormgeweld en 't woeden van d' orkaan! Dan, als de vreugd my ftreelt, geluk en waar genoegen Myn' fombren geest verheugt en om myn treden danst, Gevoel ik ook uw borst van d' eêiften wellust zwoegen,

Terwyl uw hand myn hoofd met palm en mirte omkranst. Dus deelt gy in myn vreugd, dus deelt gy in myn fmarte,

Uw trouwe ontwykt my niet by Thoas moord-altaar ! Eugenius! myn lot legt u zoo na aan 't harte,

Als of myn fmart uw fmart, myn vreugde uw vreugde waai'. Helvetius keer' vry nog eens op de aarde weder —

Verklaar' dit warm gevoel voor eigenbaat en fchyn, Dan, onze vriendfchap, zoo opregt, getrouw en teder,

Zal nimmer voor ons hart eene ydle fchaduw zyn. 'k Aanbad dan nog haar beeld; ook wen ik, neêrgebogen ' °P 'tkrankbed • om den dood, alsdecenigfie uitkomst, zucht, Nog in dien bangen nood, blyf ik haar toegenegen —

Genegen , als myn ziel de logge ftof ontvlugt! Des levens winter treed' wanneer hy wil te voren,

Zyn fnerpende oostenwind jaage ons naar 't graf ter rust, Steeds blyft in onze borst het vuur van vriendfchap gloren,

Ons heilig offer vlamt waar Vesta 't hare blust. Vaarwel, Eugenius! ik heb myn taak voldongen;

'k Heb u dit kunstloos lied gewyd ten onderpand Van myne oprechte trouw. Waar' foms de toon gewrongen, Wyt dit der vriendfchap niet, maar aan myn zwakke hand.

//. D. CAMPAGNE.