Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 5 )

De zwoele Zepihp koomt nu voort, met zagt gefluirter,

Hy is het, die den fchoot des aardryks openduit, Aan alles jeugd en geur ch glans byzet en luider, . En ieders oog en hart vervreugt by 't bloeyend kruit. De vrolyke Akkerman ziet de Natuur Iierboren:

Hy voert het Runderyei uit zyn befmetten dal, Al hopend', „ God mogt eens hunn' zucht, zyn beê, verhooren

„ En wyzen heilzaam kruid in 't Medecyu-val dal !" Hy biedt het fterke Paard aaa 't wel gefclierpte kouten

Dit onderwerpt zich gaerne en willij aan het juk; En wordt, in 't werk, als 't waar', te moediger, te fionter»

Om dat de Luuwrik , vry van fraarr, van allen druk, Al flodd'rende als een pyl weet m de lucht te ftygen,

Van waar hy hooren laat zyn zang zo Ichel, zo fclioon, Al dartiende uitgertort; waar zonder eens te hygen,

Hy fteeds zyn' min ter eer zingt op zo zoet een' toon. Ginds zien we een rappen knaap, met afgemeten paden,

Het welgewogen graan üifftrooijen op het Land; Waar uit dit kodlyk zaad eerlang- voort zal wasfen, Welk d' Egge nu bedekt met fyner klei en zand.

Dus

A 3

Sluiten