Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over DaNIcL III. VS. i —12. 33

tven menfchen zonder eenige , ja vaak tegen alle overtuiging aan , enkel uit eene flaaffche vrees voor wormen, die met hun van dezelfde beweging zijn, en in het Hof wriemelen, eene vertooning voor Hem maken? — Gewis, elk, die eenige beginfels van Godsdienst heeft, moet dit hoogst verfoeilijk noemen. Maar dit moet ons dan ook leeren, niemand ter zaake van zijnen Godsdienst te vervolgen. Dwalen anderen in ons oog, zij zijn voorwerpen van ons medelij, den. Het is onze plicht hen te recht te brengen, zoo veel wij kunnen. Maar dit behoort alleen door middelen van eene redelijke overtuiging , doortrokken met den geest der zachtmoedigheid, en gepaart met vuurige gebeden, te gefchieden. Ban- en vloek-blikfems pijnigen wel, maar overreden niet. Zij kunnen wel huichelaars, maar nimmer Godsdienst-minnaars vormen. — Begrijpt dit echter zoo niet, M. H.! als of daarom geene goede orde in de Leer der Kerke mocht onderhouden worden.— Deze keuren wij hoogst noodzakelijk. — Dan dit alleen bedoelen wij, dat niemand eenen geest van bitterheid, en vervolging, voor een gefchikt middel, om den Godsdienst voort te planten, aanzie! — 'Er is en blijft altijd tusfehen gewetensdwang, en tusfehen eene behoorlijke bepaling van de grondftellingen , en van den eerdienst der Kerice, een Hemelsbreet onderfcheid. Zoo nodig de laatfle is; zoo zorgvuldig hebben wij ons ook te wachten, dat 'er niets van het eer/Ie ónder fluipe, of wij bevlekken den besten Gods€ dienst,

Sluiten