Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerste Bedryf. 229

fchikken. . . . Voor tegenwoordig, ja! maakte die Louis d'or, op weinige grosfen na, myn geheelen rykdom uit ... de Jood heeft alles . . . myne reis is ongelukkig geweest. ... Als men 't nog niet gewend is te voet te reizen ... en door zo veeleangiien gedrukt wordt ... als men nog geene kennis gemaakt heeft met verdriet en gebrek, o wat valt dan alles zwaar! Ik was, na dat ik van u vertrokken was, myn lieve Karolina, nog niet halver weg gekomen of de koude en vermoeidheid overmanden my; Ik zette my neder om uit te rusten, Ik zag den blauwen hemel aan, waar van de befchouwing my zo dikwerf verrukt had; Ik befpeurde maar al te grievend, dat ik dezelfde niet meer was ... dit gezigt van het firmament deedt my myn leet flegts te fterker voelen, en, met kommer in 't hart, zagen myne oogen niets dan donkerheid. . .. Gelyk een hangend onweder drukte my het hemelsch gewelf; Daar drukte het my. (Terwyl by zyne band op de borst legt?) Een verdovende flaapzugt fcheen zig van alle myne vermogens meester te willen maaken; dit wist ik egter dat in de tegen, woordige koude op den flaap des doods moest uitlopen. ... Ik was ondertusfehen flyf van vermoeidheid . . . onvermogend om my weder op te regten. . . . Een barmhartige boer, die voorby kwam ryden, trok my uit myne bedwelming, hielp my op zyn wagen, en bragt my naar eene kleine hut, digt by de plaats, daar hy my vondt; daar gaf hy my de warmte en het leven weder, en voerde my vervolgens naar de Stad. Ik gaf hem het eeniglïe ïlukje geld, dat ik nog over had; en ylde naar het huis van Aristus, wiens menschlievenheid tot hier toe onze P 3 hoop

Sluiten