is toegevoegd aan je favorieten.

Het rechtsgeding van Lodewyk den Zestienden, geweezenen koning der Franschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T1D p; c. r. t> a ü fj o u. 331

büiten het bereik van alle geconftitueerde Magten.

Wanneer ik deeze onderfcheiding maak, dan denk ik niet, ueenebeuzelagtige fpitsvindigheid aancebieden; maar u te verzoeken van te willen onderfcheiden, het geen de aart der zaaken niet toelaat onder één te vermengen. Ongetwyffeld zal niemand zeggen, dat 'er geene Wetten waren voor Lodewyk den zestienden; dat hy door dezelve geenzins tot het een of ander • verpligt was; dat geen bedryf van zyn kant een misdaad kon heeten, en dat de Conftitutie hem , op eene burgerlyke wyze, onvatbaar voor het zondigen gemaakt had. — Medeburgers! dat hy heilig, dat hy onkwetsbaar, ten opzigte van alle magten, geweest hebbo; de Conftitutie feegeerde zulks : maar de Conftitutie begeerde ook, dat de Wet heilig voor hem ware. Indien hy, door middel zyner onfchendbaarheid, aan de handen der magten ontfnapte, men had voorzeker hem het recht niet gegeeven, om de Wet te fchenden, en zyn perfoon was niet vreemder aan de burgerlyke Wetten, dan 'er zyn gezag niet boven verheven was. Waarom zouden dan de misdaaden van den Koning,zelfs zyne perfooneele en burgerlyke, niet gerechtlyk onderzogt kunnen worden? Om één eenige reden, die men misfchien niet genoeg heeft opgemerkt; om dat 'er geene Magt beftond, die hem kon bereiken.

Er zyn derhalven tweeërlei wyzen van onfchendbaar te zyn : 'er zyn, voor een misdaad, tweeërlei wyzen, om ongeftraft te blyven ; of, om dat 'er, tegen deeze misdaad, geene vooraf aangekondigde Wet beftaat; cf, om dat geen

Ge-