is toegevoegd aan je favorieten.

Het rechtsgeding van Lodewyk den Zestienden, geweezenen koning der Franschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33* GEVOELEN

Gezag zig de gerechtlyke beöordeeling over den fchuldigen kan aanmaatigen.

Van deeze twee onfchendbaarheedenisde eene onveranderlyk in derzelver uitwerkfel, en de ftrafloosheid, die zy verzekert, overleeft alle Revolutic-n. Ik zal eeuwig onöordeelbaar zyn, vooreen daad, op gisteren bedreeven, en welke eene Wet zou kwetfen, die gy heden deezen dag eerst decreteerde: maar de ftrafloosheid van de tweede zoort, die naamlyk, weike voortvloeit, niet uit het ftilzwygen der Wet, maar üit het onvermogen der openbaare Magten: deeze ftrafloosheid verdwynt, in alle opzigten, voor alle voor heen gepleegde misdaaden, op het zelfde oogenblik, waarin men de hinderpaal wegruimt, die deeze magten onvermogende maakte, 't Is genoeg, dat de Wet beftaan hebbe voor myn misdaad. Wat de magt betreft, die my oördeelen moet, het tydperk van haare inftelling of van de uitbreiding haarer gerechtlyke bevoegdheid, heeft gansch niets te maaken met de wettigheid van het vonnis, dat zy tegen my moet uitfpreeken. In alle Regeeringen vind men voorbeelden van Vierfchaaren, geformeerd, om, voonifgepleegde misdaaden te oördeelen, en het is klaarblyklyk, dat een befchuldigde, aan de Wet alleen, en geenzins tegen zyn rechter, ter zyner verdeediging zou kunnen zeggen.- „ Gy had geen beftaan, toen ik de misdaad beging."

Deeze denkbeelden pas ik toe op Lodewyk den zestienden, en wanneer hy ons zou zeggen, dat 'er tegen de daaden, waarmede men hem befchuldigt, noch voorïifbeftaande Wetten noch magten v\ aren; ik zou hem antwoorden, dat het

al-