is toegevoegd aan uw favorieten.

Het rechtsgeding van Lodewyk den Zestienden, geweezenen koning der Franschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

444 c e v o E h e H ,

2f «L25 dff ^voeId hebben»dat ds wr^

nol VCrF°Gt-> e" di^anwasfende door de poogingen zelve, welke men aanwend, om haar voldoening te verfchaffen, eindigt met geene paa. en aan h,nre woede te ftellen. Hefwas derhalven zeer -gevoeglyk, dat de maatfchappy zig meester maakte van het recht, om de iljfen opteleggen De maatfchappy fa onlydiyk: f bemint alle haare kinderen; zy flaat ze niet dan met leedweezen, en haare flagen overfchryden. noot de maat van het wan bedryf: maar de maatfchappy heeft het recht, om ftraffen uitte! fpreeken,met anders, dan om dat de Burgers er zig van ontdaan hebben, om het aan haar overtedraagen. Maar wanneer de Wet 0f om juister te fpreeken, wanneer haare werktui-' gen verwaarloozen, om van de magt om te ftrafien, dat rechtvaardige en wettige gebruik te maaken , 't welk hun is voorgefchreeven, als dan treed ae burger in her gebruik zyner rechten: hy wederftaat de onderdrukking, hyftrafc hy verbryfelt zyn vyand, en, indien hy de paaien der gemaatigdheid overfchryd, dan is het huitenfporige zyner ftrengheid de misdaad van den verraaderlyken Magiftraatsperlbon, die het zwaard liet glippen, dat de Wet hem ter hand

Hier uit volgt, dat een fchuldig Koning niet flegts gerechtlyk geoordeeld kan worden, maar ook, dat gy hem biet ongeöordeeld laaten kunt is du het oogmerk uwer zending niet, Medeburgers? Is dit de last niet, dij gy van uwe Committenten ontvangen hebt? Het Souvereiae

Volk,