Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN SAINT JUST. 525

Was hec de liefde wel voor den Godsdienst, dac is zeggen , voor de deugd, die aan den Konin<»- hec fchryven van den brief aan den Bisfchop van Clermonc beval, waarin hy hec voorneemen fchync ce koesceren, om de cyrannifche magc ce herwinnen, na dac hy mee de kragc van een eed beloofd had, om de vryheid te zullen handhaven? Voor 'c minsc kan men nieconckennen, dac, indien zyn hare een weerzin in de Wee had, zyn Scaaczugc zyn geloof evenaarde: liever dan meineedig ce worden , moesc hy opgehouden hebben, Koning ce weezen. God vorderc niec, dac men de aarde beroere en dat men trouwloos worde, om hem ce verëeren. Derhalven, uic wac oogpunc men die gedrag befchouwe, Lodewyk heefc den hemel bedroogen, heefc de menfchen bedroogen, en Lodewyk. is fchuldig in de oogen van alle parcyen. • Kon hec Volk, ce zuiver, te eenvoudig, om niet te ontdekken en te gevoelen, alles wac onregelmaatig is, in rust blyven? Thans kent gy de vyandige oncwerpen, die de Koning zelve tegen hec Volk fmeedde: de cyd heefc niec dan maar al ce veel deszelfs wancrouwen gerechtvaardigd. Men heefc u gezegd, dac, by de verwoescing der Tuileries, de Wee, die papieren niec onder de bewaaring van hec zegel gefteld heefc, welke Lodewyk zou hebben kunnen cegenftellen aan die, welke men hem cegen ftelde : maar waarom had hy de laacfte zo zorgvuldiglyk bewaard? waarom zyn ze door hem gekanttekend geworden? Moest hy ze niec mee afgryzen verworpen hebben? Maar men moec geen onmenschlyk vermaak fcheppen, om

den

Sluiten