Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ao DE ONECEITE ZOON,

gar verbergen. Ach ! men behandelde mij hard , toen ik bleef weigeren den vader van mijn kind te noemen. Men verftiet mij. Men dreef mij ten huize uit; en toen ik voor de deur van mijne bedrukte ouderen kwam . . liet men mij ook niet in. — Mijn vader wilde mij mishandelen, en mijne mo:der rukte hem nog haastig weg, toen hij mij zijnen vloek wilde geeven. Mijne moeder kwam terug , en wierp mij een' daalder toe, die zij met ee» oogje aan haar' hals droeg , en weende ... en ik heb haar zints dien tijd nooit weder gezien ! Den daalder heb ik uog; (zij haalt dien ten voorfclnjn) liever hadde ik mij tlood gehongerd, dan dat ik denzelven zoude hebben uitgegeeven. (Zy befchouwt, kuscht en bergt dien weder.) Zonder have en goed, zonder geld en genoegen dwaalde ik den gantchen nacht in 't open veld. Eens kwam ik nabij de rivier, ginds, daar de molen ftaat; en ik gevoelde mij inwendig iterk. gedreeven , om mij tusfehen de molenraderen te weipen , en zoodanig een einde aan mijne rampen te maaken. Maar daadlijk ftond weder de oude predikant voor mijne oogen , met zijn zagt, eerwaardig gelaat. Ik ging bcevende terug, zag bevreesd óm, of de grijsaart niet agter mij ïtonde. Zijne lesfen en mijn vertrouwen op hem ontwaakten. De morgen kwam, ik begaf mij in zijn huis. Hij ontving mij minnelijk, en deedt mij geene verwijtingen. Watgefchied \t, zeide hij, is gefchied. De Hemel vergeeft den

bc-

Sluiten