is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe vaderlandsche bibliotheek, van wetenschap, kunst en smaak.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ceschied. van de krist. kerk in de achtt. eeuw. 201

maakt. — Wat de uitvoering zelve betreft, wij hebben daarop het volgende aan te merken. —

i) IJ. laat hier en daar te veel invloeijen beöordeelingen van bijzondere gevoelens. — Behoort dit tot den taak van den Gefchiedfchrijver? Hij geve ons eene fchets van het karakter en de gevoelens, een berigt van de Gefchiedenis en Schriften dier perfonen, van welke hij handelt; doch is het niet veel meer het werk van den Dogmatiker of ook van den Wijsgeer, dat hij fchriften eh gevoelens beöordeele? — Hoe ligt loopt de Voorüanderivan het Christendom niet gevaar, bij diergelijke beöordeelingen, om, bij een diep gevoel voor waarheid, jtls in een heiligen ijver te worden weggefleept, zou dat hij zich van zijnen taak verwijdert. Niet dat wij den Burger ij p e ij befchuldigen zouden van harde , onmenschlievende beöordeelingen ; 't zij verre van daar; wij prijzen over het geheel zijne zagtiiartige behandeling van menfchen , die door hunne moedwillige tegenkanting van waarheid en deugd eene ftrengere behandeling verdiend hadden. Doch is dit, onzes eriichtens, meer de zaak van den Verdediger van den natuurlijken en geöpenbaarden Godsdienst, dan van den Gefchiedfchrijver, die, koelbloedig, de waarheid van gebeurenisfen, en derzelver famenhang, oorzaken en gevolgen, opfpoort, en daar door den Wijsgeer en Godgeleerden bouwftoffen ter bearbeiding aanbiedt. Hoe zeer de Gefchiedenis ook is de Leermeestcresfe des levens, volgends het getuigenis van den fchranderen Romeinfehen VVijsgeer en Redenaar , cicero, de Gefchiedfchrijver is echter niet tevens de Moralist. Hij ltelt de zaken naar waarheid, en in een helder daglicht; — de uitwerking daarvan op verftand en hart laat hij over aan zijne Lezers, of aan hun, die daarvan, tot befchaving van het verftand, tot verbetering van het hart hunner natuurgenoten, gebruik willen maken. — Alle zedelijke, pradlikaale aanmerkingen, alle uitroepingen over den ouzaligen toeitand der ongelovigen, hadden wij daarom liefst uit dit gefchiedkundig Werk verbannen gezien. .—

i) Juist dit heeft mede aanleiding gegeven tot een tweede gebrek, 't welk in dit Werk heerscht. -— Hetzelve is al te omflagtig. — Het dijdt geweldig uit. In 't gemeen is het een gebrek in den ftijl van IJ., dat dezelve te woordenrijk, niet beknopt genoeg is. — Behoudens de innerlijke waarde zou het aanmerkelijk hebben kunnen N 5 be-