Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

magazijn voor de critische wijsbegeerte. 5*9

wordt opgegeven. — Intusfchen verkiest v. H. nog niet gewag ie maken van het verfchillende tusfchen de theorie van kant en rein hold en die van fichte, oordeelehde dit, voor als nog, te hoog. Echter komt het ons voor, dat juist de kennis dezer verfchillen meest bevorderlijk zijn zal ter uitbreiding van waarheid. De Critifche Wijsgeerte neemt thands vooral ten opzichte van het Zedekundige eene richting, niet weinig belangrijk , voor den vriend van waarheid en deugd.

Fichte gaat hier zijn eigen gang. Wij hoopen, dat v. H. zijne belofte, om dit in volgende Stukken te

doen, zal vervullen. Hierop geeft hij ons bericht

van den tegenftand , welken de Critifche Wijsgeerte vond, en wel bij mannen van Haam, hoewel in weerwil vau al dien tegenftand, dezelve eenen voorfpoedigen loop had , niet alleen in Btuitschiand, maar ook in Zweeden en Denemarken. — In Schotland cn Engeland, begint dezelve opgang te maken. In de Franjcke kepubliek, vindt men'er genoegzaam niets van, dan eenige vertalingen van fommige zijner Werken. — En wat de BataaJfche Republiek betreft, hoewel v. H. en eenige anderen aan de meerdere opklaring en uitbreiding derzelve arbeiden, nogthands, is dezelve eerst aan het ontluiken. —

Het Tweede Stukjen neemt een' aanvang met eene Verhandeling vau den Heer heuman, getijteld , de Zedenkunde van immanucl kant , in hare beginfelen , kort en duidelijk vooi gedragen, ter bevordering van waare deugd en van zeden lijke verlichting. — Zedenkunde is, volgends de Critifche Wijsgeerte, ,, die wetenfchap, „ welke de beginfelen en wetten voor vrijë, zedenlijke ,, handelingen, van vooren, dat is , niet uit ccnigerlei ,, empirifche gronden, maar alleen uit de praétifche re,, de zelve afleidt. " — Vrijë daden zijn, volgends dezelfde wijsgeerte, zoodanige, „waar in wij onafhang,, lijk van een of ander empirisch beginfel , en geheel „ los, van deze, of gene, zinlijke drijfveder, ons zelf

„ bepalen." „ Elke daad, welke uit gevoel van

,, lust of onlust gefehiedt, is empirisch, en niet vrij, „ maar afhanglijk van dat gevoel, het kenmerk der zin«

,, nelijkheid. " „Praétifche wetten moeten onder-

,, fcheiden worden van praétifche voorfchriften. De „ eerften moeten voor alle redelijke wezens, uit kracht

der Rede , algemeen , en zonder uitzondering , geilt k 4 „ den,

Sluiten