Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ooud. okderz. van oude en nif.uwe leering. 51?

,, voorgefteld wordt, dan in het Nieuwe, dat in het ,, eerfte geheel andere Godsdienftige opwekkingen, ver«, wachtingen en voorfchriften zijn , dan in dit. " Menfchen, die zeiven niet nadenken, of nalezen, zullen misfchien, in een goed vertrouwen, den Schrijver, die zoo ftellig fpreekt, gelooven; maar, ten blijke, dat het nodig is, zeiven na te denken, alwie bedenkt, dat het Oude en Nieuwe Testament, wat het wezenlijke van den Godsdienst betreft , niet tegen eikanderen overftaan , zoodat die het laatfte aanneemt, het eerfte zou moeten verwerpen ; alwie bedenkt, dat het Nieuwe Testament gevestigd is op den grondflag van moses en de Profeeten, of op het O. Testament, en dat het N. Testament dus in zeker opzicht geen Nieuw gebod behelst, zal, in deze geheele redekaveling van den Schrijver, niets dan drogredenen ontmoeten, en zijne vraag voor bedrieglijk verklaaren, als hij vraagt: ,, Met welk, willen nu dee„ ze rechtzinnigen het houden? Met het Oude of met ,, het Nieuwe ? Zij zullen zeggen , met het Nieuwe „ Testament, wijl dit beter is." Neen zeker, zij zullen zeggen: Met beiden, want alle Schrift is van God ingegeven , enz. en dus de vraag eene ftrikvraag, of een bewijs van de onkunde van den Schrijver.

Doch wij bedenken, dat wij niet geroepen worden, om den Schrijver voet voor voet te volgen, wij moeten eene Recenfie van zijn Werk fchrijven , en geene wederlegging , trouwens deze zal voor allen , die nadenken, gemaklijk vallen, en voor die niet zeiven nadenken, zal alleen eene opwekking nodig zijn, om toch zonder nadenken niets aan te nemen, dewijl zulks geenen redelijken mensch voegt.

Wij zullen dus enkel hier nog affchrijven het flot van deze geheele redekaveling , Bladz. 6. ,, Nergens „ ziet men dus de mogelijkheid , hoe de Godsdienst, wanneer dezelve waarlijk eene volkomene kennis van den Godsdienst zijn zal, waarop die rechtzinnigen „ zich beroemen , aan de menfchen op eenmaal kun„ ne medegedeeld worden; en hoe verder wij in de ,, gefchiedenis teruggaan, des te ruwer en ongeöeffender vinden wij de menfchen , en des te ruwer en ongeöefl'ender moesten dus ook hunne begrippen v,m

,, den Godsdienst zijn. " Wat doet dit alles ter

zaak? De vraag is niet, of God niet m zijne Openbaring, van tijd tot tijd, meer en duidelijker waarheid ontKk 4 dekt

Sluiten