Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oord. onderz. van oude en nieuwe leering. £21

riet gevoelen van arius, in de aanteekening op Bladz. 59, als ook dat hij aan-de Niceefche Kerkvergadering toefchriift, het gevoelen, „ dat in het eenig, onge„ deeld, Godlijk wezen, drie Perfoonen zijn, welken „ het Godlijk wezen ongedeeld, en NB« zonder dat „ het ééne wezen van het andere gefcheiden en afgezon„ derd zij, bezaten," even of die Vergadering in het eenig wezen van God, nog één en ander wezen gefteld had; gelijk hij verders zegt, dat volgends haar de Eengebooren Zoon aan den Vader, naar het wezen- gelijk zij, vertalende hier en Bladz. 60. het woord ïy^zaioi door die met den Fader van een gelijk wezen is.

Na alle deze geleerdheid, zegt hij eindelijk Bladz. 61. ,, Wij gelooven , wel is waar , ook aan eenen „ Zoon Gods , maar wij zien hem voor niets meer , „ dan een voornaam mensch, aan, wien God tot eenen

verlichter in den Godsdienst en tot eenen weldoener „ der menfchen hefternd, en niet alleen van natuur met 3, bijzondere gaaven en talenten, uit gerust heeft, om 3, dit groote Werk te. beginnen, maar ook in bijzonder „ gunftige omftandigheden heeft geplaatst, om dat geene „ te worden, het welk hij geworden is.'' (Welke die bijzonder gunfiige omjlandigheden mogen geweest zijn, heeft de Schrijver niet goedgevonden nader aan te wijzen. Hij vervolgt:) ,, of"wij bekennen, dat God deezen

mensch, buiten gewoon, zoo wel in opzicht tot zijne „ kennis , als ook met betrekking tot zijn macht en „ heiligheid onderfteund hebbe, om een zóó buiten ge., woon man te worden , gelijk hij was , of, zoo als \, hij zich figuurlijk uitdrukt , dat de Vader in hem „ geweest zij, en hij in den Vader, cn dat deeze hem

niet alléén gelaaten hebbe. Daarom wordt hij ook

de Zoon Gods en het evenbeeld van God , in eenen „ voornaamen zin genoemd, en de naam, Zoon, bete-

kent niet zijne Godlijke natuur, maar alleen eene „ gelijkvormigheid met den Vader, in zijne Meslia'an„ fche waardigheid , welke onder den naam van Zoon „ Gods gedacht wordt." (Waar de Schrijver den Zoon van God voor aanziet, doet weinig ujt, maar het bewijs, dat hij wèl gezien heeft, ontbreekt.)

„ Met betrekking rot den Heiligen Geest zijn wij on-

zeker, voor wien, of wat wij hem, naar den Bijbel, „ houden moeten, voor eenen perfoon, of voor eene id Kk 5 „ bloo-

Sluiten