is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe vaderlandsche bibliotheek, van wetenschap, kunst en smaak.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r e i z e. /J.47

Mdinoten. Wijze op welke de Beij hen in den wapenhandel oefent. Middelen door hem te werk gefield, om de Turken af te weeren, of om zich van hunne vervolgingen te ontdoen. Plaatslijkheden. Stephanopoli geeft lesfen in de konftapelskunst. XXVI. De

Beij toont aan stephanopoli het dorp Vitülo , geboorteplaats van dezen laatften. Weigert 'er hem heen te brengen. Twee oude flandbeelden aan den oever van Portecaille. Puinen eens tempels van nïptdnus. — XXVII. Lacedemonifche muntftukken van ijzer en van goud; wat dezelve verbeelden. — XXVIII. Dimo verhaalt de gefchiedenis der verhuizing zijner voorouderen uit Maina, en van hun verblijf in Corfica tot op dezen dag. — XXIX. 'Er vertoonen zich op nieuw Ottomannifche Galjooten. Vergadering der Marnoten. Stephanopoli wordt het bevel over de troepen gegeven. Militairen. Gevecht. Nederlaag der Turken. — XXX. De gefneuvelden op het midden van het plein van Marathonice ten toon gefield. Aanfpraak van stephanopoli. De Vrouw van beijzandé betreurt den dood hares broeders. Een ontwerp door den jongen Commisfaris voorgefteld , om de gedachtenis der Mainoten te verëeren. — XXXI. De reizigers willen Griekenland verder ingaan; de Beij doet hen van dat ontwerp afzien, kondigt hun de nabijzijnde aankomst van Grieken aan, welke hun die kundfehap zullen geven die zij verlangen. Dimo leert de zeden en gebruiken der Mainoten kennen. — XXXII. Geboorte der kinderen te Maina. Op welke wijze moeder en zoon opgepast worden. Draagbare wieg. Eerfte opvoeding der kinderen. Bezigheid der jonge lieden.

Uit dezen korten inhoud zal de Lezer ligtlijk het groot aanbelang van dit voortreHijk Werk befeffen. Om evenwel eene proeve daarvan te toonen, hebben wij daar toe uitgekozen een gedeelte van het negentiende hoofdstuk, Bladz. 180 , zijnde van den volgenden inhoud.

,, Dimo en vooral stephanopoli hadden zedert „ eenigen tijd geene aangename rust genoten, of waren 5, geftadig in hunnen flaap geltoord ; maar nu lagen zij „ ten tien uuren 's morgens nog in diepe rust , toen „ de Beij, vergezeld van zijne drie zoonen en verfchei„ den Mainoten hen kwam wakker maaken. Men iiet „ hun geen tijd om op te flaan ; maar men liep naar

„ hun-