Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

520 A. FOKKE , SIMONSZ.

Ten aanzien van die Lezers, voor wien dit Werk eigenlijk beftemd moet zijn,. ontkennen wij plat uit, dat zij in (laat zijn, om de-mening van den Schrijver te vatten, omdat zij het bedoelde leerftelfel der Oosterlingen niet kennen. En wat den Recenfent aangaat, hij wil wel edelmoedig bekennen, de mening van F., zoo als die in dit bericht opgehelderd wordt, niet gevat te hebben, omdat hij geen Uitlegger van randfelen is. Of echter zijn gedrag, met F. vim misbruik van gewijde zaken te befchuïdigen , aan onvoorzichtigheid te wijten, en wel ten hoogjle onvo.orziciitig te noemen zij, dan of niet veel meer de grond der door hem- ingebragte befchuldiging in de Voordrage van F. zelve te zoeken, alsmede,-of die grond door dit ophelderend bericht geheel weggenomen Zij, moet nog eerst onderzocht worden.

Offehoou het bovengemelde leerbegrip der Oosterlingen , het geloof naamlijk aan twee eikanderen geftadig tegenwerkende wezens,-het ééne goed, het andere kwaad, waarvan zij het eene orosmasdes , het andere ahrimanes noemden, en wier gefchillen door mithra (de wijsheid of het verftand van den Grooten Geest, waarvan zij beiden uitvloeifels- en aan denzelven ondergefchikt waren) telkens bijgelegd werden, den Recenfent niet vreemd was, viel het hem nogthands niet in, hier ter plaatfe bepaaldlijk aan dat leerftelfel te denken , vermids F. orosmasdes, niet als een afhauglijk, en daarentegen ahrimanes niet als ée!n met den eerften in gelijken rang ftaand. wezen , maar als deszelfs Zoon , en dus als een aan den eerflen ondergefchikt Wezen, doet voorkomen. Veel eer kwam hem daarom voor de zin der emblematifche vertelling deze te zijn : dat orosmasdes een. Oppermagtig Wezen (God, bij uitnemenheid) moest beteekenen, die door mithra (de wijsheid of rede) ahrimanes of het kwaad beftuurde en daarover, even als over alle andere dingen , gezag voerde.

F. verdédigt zich wel, met te zeggen, dat, zo hij de Hoogjle Godheid bedoeld hadde, hij dien niet den Heer van vers-Cheidene heerlijkheden, maar van het heelal genoemd zoude hebben. Doch dit andwoord op de Aanmerking van den Recenfent is meer fcherpzinnig uitgedacht dan juist en voldoende. Immers kan hem de Rcthorifche figuur, Lito*«geheeten, niet onbekend zijn, wanneermen meer beteekent dan men uitdruklijk zegt, of het gedeelte noemt en het'geheel 'er door verftaat.

Hetgene den Recenfent in. zijne opvatting bevestigde , dat fcier zulk een Litotes in de woorden Heer van verfcheidene Heerlijkheden (welke uitdrukking de Heerfchappij over de Overigen niet uitfluit) plaats had, was de wijze, op dewelke F. zijnen Orosmasdes omfchrijft; naamlijk als: „ een zeer ver„ mogend oud adelijk perfoon , welke de oudfte Volken Ors» muzd, Orosmasdes of ook wel OJiris noemden, en dia

„ tfaords

Sluiten