Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5=6 JjeLli van casos ,

was. Ik week van zijne zijde niet, en beefde met hem, en las, in de gelaatstrekken der naderenden, afwisfelend het wel of wee des vriends.

Een jong meisjen van omtrend zestien jaren was ons tweemaal nabij geweest, en tweemaal had zij zich weêr verwijderd. Thands kwam zij, minder fchuuw, ten derdenmale te rug; wan' zij merkte, dat del li haar fcherp in het oog vatte.

„ Zijt gij het delli, of gelijkt gij Kern flegts?" vroeg zij eindelijk op eenen zachten toon.

„ God! dc ftem mijner ida!" riep delli, „ saartje! „ — Gij zijt mij ontgroeid, saartje! Ik kende u niet; maar „ het geluid uwer ftem drong tot in mijn binnenfte — waar „ is ida?" —-

Ida leefde, leefde voor haren delli; maar heure bekommering over hem had hare gezondheid ondermijnd.

„ Honderdmaal, zeide saartje, honderdmaal was ik, met „ mijne zuster , hier aan het (brand , wanneer het geroep op „ het eiland kwam: 'er nadert een fehip ! Maar treurig ftond „ zij altijd onder de vrolijken, die de hunnen ontvingen, en „ met tranen keerden wij dan te rug naa onze hut. ,, „ Ik „ „ ga niet weêr naa het ftrand " " zeide ida mij onlangs, „ „ want verfcheen delli mij thands, ik bezweek van vreug„ ,, de; want ik gevoel mij zwak." "

Dit was een wenk voor delli , om haar niet te overrasfehen. 'Er werd befloten , dat saartje mij , bij hare zuster, als eenen vreemdeling zou invoeren, die tijding van delli te brengen had. Innig -bewogen ging ik met saartje voor uit, en had moeite, mij op weg te bedwingen.

Ida's woning was niet ver. Wij kwamen ongemerkt aan haar vertrek. Een zacht Panagaiabeeld, waar onder eene lamp brandde , was het eerfte, wat ik, bij de intrede in het vertrek, vernam.

Ida zelve vonden wij aan het venfter bezig, met zorgvuldig dc bladeren op te zamelen, van eene roos afgevallen. De bloem was hare beeldtenis. De roozen harer wangen begonnen te ver. bleeken; de glimmende ftraal harer oogen fcheen uit te doven, en, van onder hare groote oogleden, drongen heimlijke tranon; maar dit verhoogde alleen ida's bekoorlijkheid; want nimmer verfcheen mij de vrouwlijke fchoonheid in eene zoo tretfende geftalte, als hier.

Met ftilzwijgend toeluisteren hoorde zij van mij , dat het fehip, wanröp delli geweest was, geenszins vergaan, maar door de Malthezers was genomen, dat delli leefde en haar kwam in de armen fnellen.

„ En gij komt eer, dan hij? — viel zij mij in het woord » ~ gij bedriegt mij, of hij is hier. — ó saartje! gij hebt

den vreemdeling onderricht, om mij vreugd te maken; maar „ gij deedt onrecht, — en gij, vreemdeling! handelt wreed, „ met haar te volgen."

„ Maaï

Sluiten