Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. FOKKE , SIMONSZ., LETTERGESCHENKJEN , ENZ. 525

de daad niet is ? Zal elk verftandig vader of opvoeder zelf niet eerst weten willen, van welke waarde het Boekjen is, eer hij het zijnen Kinderen in handen geeft, en hij dus zijn oordeel willen vellen i of het'oordeel van anderen deskundigen willen hooren, eer het ter beöordeeling der Kinderen komt? En wie zal de oordeelvelling der Kinderen aan den Schrijver overbrengen ? — Dan wie zal den koddigen fokke eene wonderfpreuk euvel nemen? Hij houde het ons echter ook ten goede , dat wij, offchoon niet door hem als bevoegde rechters erkend , daar wij geene Kinderen zijn, ons oordeel over zijn Werkjen uiten, terwijl wij, om, ook in zijn oog, nog eenig gezag te bekomen, met een paar Kinderen geraadpleegd ,en hunne gedachten over dit onderwijs in Zinnebeelden ingenomen hebben. Die foort van onderrichting was hen even zoo min iet nieuws als ons; maar nogthands het Boekjen behaagde hen, en zij verlangen naar meer van dien aard uit de zelfde hand; terwijf Wij gaarne alles lezen, bet zij ernst of boert, wat ons deze Schrijver opdischt. Alleenlijk klaagden de Kinderen, dat, vooral het Derde Plaatjen, zeer onduidlijk uitgevallen is, en zij er, op verre na, alles niet in vinden kunnen, wat fokke ons zegt, dat 'er op afgebeeld is: en wij voor ons moeten 'er bij voegen, dat de toon, die in het Werkjen heerscht, wat al te veel van dat grappig gemeenzame heeft, den Schrijver zoo eigen, dat hi] het ook hier niet heeft kunnen verbergen. Ook wil hij Kinderen van die jaren,gelijk zij zijn moeten, wanneer zij nog zoo behandeld worden, als hij doet, en zoo andwoorden, vragen of zich gedragen , als hij ze laat doen , wat al te veel oudheidkunde inprenten. .

Dan, genoeg hier van; het is toch een hel boekjen, dat, in zes leerzame Prenten en derzélver uitlegging, zeer veel goeds en nuttigs den Kinderen infeherpt, en het verdient volkomen eene plaats bij andere goede Werkjens van dien anrd. Wij zeggen alleenlijk nog, dat men hier zes Zinnebeelden verklaard vindt, met de volgende onderfchriften : natuur komt boven ; gewoonte is de tweede natuur; de deugd en wijsheid gaan zamen; die niet begint, die niet verwint; reinigt uw ver/land; en de dood is zeker: — en zullen, tot een proefjen van taal en ftijl, de korte Inleiding overnemen, die ons den aard van het werk ook nog nader leeren kennen:

„ Onderwijzer. Komt nu eens hier, lieve Kinderen! „ - kom Toon! kom Karei! kom Toosje! ziet eens welkeen „ fraai Boekjen ik hier hebbe! dat zal regt van uw gading zijnl

„ Ka rel. Een Boekjen mijn heer! dat is goed! dat is „ goed' zijn 'er Prentjens in?" „

„ Onderwijzer. O 't is vol Prentjens! ziet maar eens!

„ AntIionie. Heden! laat zien, mijn Heer! '

„ Toosje. Och Toon ! toe laat mij ook eens zienl toe „ geef eens hier."

„ (_>n>

Sluiten