Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BUITENLEVEN. 01 .'

Geen pad, of 't was doorfneên inet kronkelige (loten,

Verduikende in hun nat, met riethalm volgelchoten;

En utükKefl, naar 't model van 't afmlijk volk gebouwd,

Dat bijl noch zaag bezit tot vorming van zijn hout.

En dit moest fchoonheid zijn! dit werd als fmaak verheven!

Dit heette, door de kunst, Natuur op zij te ureven!

Barbaren! lastert niet. Natuur is altijd fchoon,

En fpreidt in wat zij vormt het hoogde goea ten toon. _

Ceen deel, of 't is voifchoon ! geen voorwerp , hoe arzichng,

Of 't is voor 't kundig oog zoo heerlijk als gewientig!

Maar 't is de harmonij van *t welgeftemd geheel.

Die *t oog en 't harte ftreelt in Tuinkunst en 1 aircel.

*t Is órde en regelmaat, t is eenheid van bedoelen,

Bereiking van 't ontwerp, wier kracht.zich doet.gevoe en,

't Zijn middlen, door den aart van t doelwit zelt bepa.dü,

En niet, in wilden gril, van elders faamgemund;

Bevrediging vau 't hart, en geene aaiiftooclijkneden,

Onvoegzaam voor de plaats, en ftnjuig met de reuen;

Geen nietig poppsnfpel, dat kindren flechts vermaant,

jVhar 's menfehen waardigheid te loor ltelt en verzaakt.

Laat dan Sinees of Rus, in hun bekrompen zielen,

Hun torentjes in 't kleen, geplant op wagenwielen;

Hun Ceders, door een vlijt, hun geestloos wroeten waard,

ln (huiken voor hun disch- en kamertuin ontaart!

Laat hen in 't zacht verblijf van rust en huisgeooegen,

't Verfehriklijkst der Natuur belachlijk fnmenvoegen;

En laat een BrtUClien geest, die, wars van rede en fmaak,

In uiterften alleen-de bron zoekt vau 't vermaan,

En woestheid kiescht voor orde, op zulke (pottooneelen

Den meester der Natuur, den wareldfchepper fpelen;

Gii Neerland! blijf getrouw aan 't waar, aan't eeuwig fchoon!

De fmaad van die't miskent,(trekt de Almacht zelv' ten hoon.

Zie hier nog een brok uit den Vierden Zang, dat op bi l o e au ij k zeivsn ziet:

Herinn'ring aan 't voorheen, zoo troostrijk en zoo zuur! Te veel kost ge aan een hart, door 't gunstrijke Albeftuur Gevormd voor t fijnst gevoel in foltring en genoegen. Neen fcherp den prikkel niet des weedoms in mijn zwoegen. Neen, roep mij 't vaderland niet eindloos voor den geest, Noch maal me, in 't gene ik ben , het gene ik ben geweest. ■ Neen, 'k zal, gewijde grond, u nimmer weêr betreden, Om wien, voor wiens behoud ik zoo veel heb geleden! De plaatfen niet weêr zien, waar ik voor de onfchuld ftreed, En, 'rerk met God in 't recht, verdrukkers blozen deed! De'wanden, waar mijn ftem de wetten dorst verweere», Toen 'r wetteloos geweld zijn rechters kwam brr.veeren,

Kk 3 iCua*

Sluiten