Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54© BEKNOPTE NATUURLIJKE HISTORIE,

fnuit; die ongelijk langer is, dan die der waterfpitsmuis ol me der mol, en ook de lengte des kops der mol een derde overtreft. Op zich zelve is deze fnuit kraakbeenacntig; maar zij is met eene huid bekleed, volkomen beweegbaar , regtlijnig , bijkans overal even breed , en ftomp uitlopende. Zij is op bare oppervlakte kaal, zwart van kuur , en gepunkteerd; maar van onder, en aan de zijden, met een weinig hair bezet; in het midden bevindt zich eene kale, witte, driehoekige «roef

Aan het einde der fnuit zitten de beide Neusgaten, die door eene kraakbenige affcheiding taamlijk veile verdeeld zijn. De Muil, gelijk de kop, driehoekig, eng, is met nairige, digtgeflotene, lippen

voorzien.

De Tanden van het diertjen zijn merkwaardig. In het bovenfte kaakbeen heeft het twee en twintig, naamiijk, twee inijtanden, en aan iedere zijde tien baktanden, of kiezen. In het onderfte kaakbeen , heeft het een gelijk getal tancien, maar vier fnijtanden, en aan iedere zijde maar negen kiezen of baktanden.

Wij komen nu tot andere deelen. De Tong is lèig tolvormig, en ftompüitlopende, maar op de oppervlakte met kleine fteekwratten digt bezaaid. Aan den muil en de kin heeft het diertjen lange , witachtige Borftelhairen, zonder orde geplaatst.

De Oogen zijn bijkans even zoo klein, als die eener veld- of fpitsmuis of mol , geheel met hair begroeid Zijn Hals is buitengemeen kort en dik , maar het 'Lijf nog onvormlijk dikker, dan eene opgeblazene worst •

de Borst is fterk, en zeer gewelfd, met twaalf Rib.

ben. De Beenen zijn zeer kort , en zoo digt aan den romp, als bij de mollen: dan, in hunne gedaante en inrichting gelijken zij veel naar die van den bever en otter • omdat het dier meer in het water en flijk, dan op het land leeft, r *

Aan de Foorvoeten heeft het vijf teenen, met eene zwem. huid tusfehen dezelven verbonden; doch zonder eeni<* hair. De Klaauvven zijn bijkans zoo lang, als de teenent door middel eener veel langer zwemhuid met elkander verbonden. De buitenfte rand des voetblads is met hordeis begroeid , die wel tot bet zwemmen overtolligmaar tot het graven des te noodzaaklijker zijn , opdat dê voeten niet gekwetst worden.

De Staart gelijkt naar den ftaart van den Kanadafchen

Ou-

Sluiten