Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5i8

a. l. b a r. b a z

Z)e Mensch, naakt en gekleed , Dichtftuk, door a. l„ bareaz; voorgelezen in de Maatfchappij: Felix Meritis, den jijen van Wijnmaand, 1803. Te Amfteldam^ hij P. J. Uijlenbroek, 1803. 31 Bladz. In gr. Q&avo* De prijs is f ï - 9 - :

In dit geestige Hekeldicht wordt de fpreuk: „ De kle. j»' ding maakt den man, "op allerleië (landen van menlchen toegepast; evenwel kunnen wij niet nalaten hier aan te merken , dat men dit Gedicht flechts als eene vlugtige fpeling van den geest, die zich met de befchouwing van eenig voorwerp een oogenblik verlustigen wil, aan te merken hebbe, daartoe geeft zeker de toepasfing van het fpreekwoord: de kleding maakt den man, in vele gevallen geene ongepaste ftof. Maar wij zouden 'er liefst van uitgezonderd gezien hebben, die Kledingen, welken door eene ingevoerde gewoonte , en niet uit vrijë keuZe gedragen worden. Een Hekeldicht behoort, als het eenig nut zal doen, fchadelijke gebruiken, gewoonten of zeden tot onderwerpen van berisping te kiezen; en het fpreekwoord de kleding maakt den man , doelt flechts alleen op hen die het kleed niet van den man weten te onderfcheiden. In dit Dichtfluk fchijnt het of de Dichter, in alle gévallen , deze fpreuk in ernst wilde verdedigen; en het daarvoor wilde gehouden hebben, dat in de daad het kleed den man make. In den aanvang van het Gedicht , zegt hij reeds:

De akteur, die, fraai gedoscht, in 't voorltuk Koning was; Draagt, beedlaar in de klucht, gel?pten broek en jas.

Maar de Akteur verbeeldt dan ook flechts een' Koning en Bedelaar, doch is in de daad geen van beiden. Dit is dus een voorbeeld dat, even zoo min als de maskerade, op het fpreekwoord (luit, ja zelfs het tegendeel zoude fchijnen te betogen, wijl niemand den Akteur zeiven, als Akteur, voor Koning of Bedelaar houdt. De Dichter vraagt al verder , en bezigt hier weder eene geheel andere en onzes bedunkens onjuiste toepasfing van de fpreuk : de kleding maakt den man , zijn oog door de fchouwplaats wendende:

Zijn

Sluiten