Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MENSCH, NAAKT EN GEKLEED, DICHTSTUK 519

Zijn »« allen menfchen? hoe ! zijn 't »B* natuurgenooten

Die in dees ruime zaal te fömén zijn befloien?

Is 't niet eene andre foort die in de loges prijkt

Dan die daar van omhoog, al fta inde, neder kijkt?

Is 't keurig Juffertje, dat, van 't amfitheater

De Heeren ionkjcs geeft, en 't wijl, tU haaren fnater,

Gindsch op de fchellings plaats, al fcheldend , hooren laat

Gevormd uit ééne ftof, beltemd toe eeneu Itaatl

Deze is eene geheel andere befchouwing , dan de kleêren maken den man, alzoo de vraag , of die lieden, van eene ftof gevormd en tot eenen ftaat beftemü zijn s hier eigenlijk meer op derzelver zeden dan op derzelver khêren iluit; daar men waarlijk het keurig Jufertjen en het wijf dat haar' fnater fcheldend horen laat, ook ongekleed wel van elkander onderlcheiden zoude; zoodat de mensch naakt in dit geval even zeer onderfcheiden zoude zijn als de mensch gekleed. Dan weder vinden wij al verder eene verwarring van bedoeling der fpreuk: de kleding maakt den man, in derzelver gelijke toepasfing op de willekeurige modedragt en de ordes kleding der militairen, ot de groote pruik en fpits driekanten hoed van een Leeraar, waarvan de Dichter zegt:

Natuur had hem beftemd tot eenen ezeldrijver Fortuin koos hem nochtans tot zielenherder uit.'

Immers in dit laatfte geval, als ook in het geval waar rijke klederen een weinig waardig perfoon dekken, zegt nien ironice, de kleiren maken den man, en meneert het kleed en niet den man; doch weder in de gevallen van ordes kleding gaat dat in dien zelfden zin niet door. Zoo ook komt 'er op Bladz. 24—27 eene optelling der onderfcheidene klederdrasten van civillis (civilis) , die hier met een gladden helm en fchild gedekt wordt, af, tot op heden, voor; welke optelling wel de verandering en yerwisfeling van kleding, door verloop van tijd, aanwijst; doch weder niets met de fpreuk de kleêren maken den man, ironicé opgevat, gemeen heeft; immers kon men van civilis en van de Graven van Holland, enz. niet zeggen , dat hunne kleding hen juist deed houden voor die genen welken zij in de daad niet waren; zoo als zulks 111 fommige aangehaalde voorbeelden plaats heeft.

Wij befluiten dus uit een en ander, dat de Autheur twee onderling verfchillende onderwerpen , naamlijk de Kk4 «»•

Sluiten