Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN DE- SLANGEN IN HET ALGEMEEN, TOT OPHELDERING DER BESCHRYVING VAN DE GROOTE SURIAAMSCHE. SLANG BOA GEHEETEN.

nder de kruipende land- en waterdieren of amthibiën* komt. als de vnnrn^mn-,* fnnre A»r '

Onder de kruipende land- en waterdieren of amphibiën, komt, als de voornaamfte foort derzelven, de Slang voor. Heure kruipende voortgang en de inrichting van heur lighaam \ welk daar toe dienftig is, zyn inzonderheid by dezelve aanmerkenswaardig, als zynde de ringswyze fchubben of fchilden welke haar daar toe gefchikt maaken, op een zonderlinge wyze famengefteld; op den buik liggen zy dwarsch en geheel anders dan over den rug; en niet alleen breidt zig iedere boven fchub over de daar onderliggende uit, maar de randen lobpen ook buiten waards, zo dat ieder fchub, onder het voortgaan naar agteren, door een byzondere fpier, zodanig bewogen wordt, dat derzelver buitenfte rand zig een weinig buiten het lighaam uit'ftrekt en elk derzelver haar dus voor een poot dient, om tegen den grond te vestigen en zo heuren kruipenden voortgang te bevorderen, waartoe haar ook het breede ruime vel heurer huid inzonderheid te ftade komt, gelyk er ook tevens een glibberig vogt uit heur lighaam vloeit, waarmede zy zig te vaster aan alle lighaamen waar over zykrui» pen hechten kunnen. Sommige, en inzonderheid de groote foort, bezitten ook het vermogen van fpringen, waardoor zy, met eene groote vaardigheid, op heuren prooi kunnen'aanvallen, . De kop der slangen is doorgaands, na gelang der lengte van heur lighaam, dat by fommige de lengte van 30 voeten houdt, zeer klein; en de huid van fommige is uitmuntend fraai met allerleye kleuren gefchakeerd. Het venyn dat zy bezitten houdt zich voomaamlyk op in twee of meer heurer in de bovenkaak geplaatfte tanden , welke hol, en van een blaasjen aan derzelver wortel voorzien zyn, waar uit zy het venyn doen uitfpuiten. Dit vergif is zeer onderfcheiden in deszelfs uitwerking, fomtyds heeft het fchielyke en wederom by de beet van andere foorten van Hangen een langzaamer dood ten gevolge; het veroorzaakt. doorgaandsch verandering van kleur, grilling, hartklopping, en hevige pyn, maar er zyn ook fommige Hangen, wier vergif verdooving, flaapzucht en eene zachte dood te weeg brengt.

Heure wyze van voortteeling gefchiedt even als die van andere dieren, door vermenging, doch fommigen baaren eijeren, en anderen, gelyk de adders, weder leevende jongen. Héurvoedzel beftaat meest uit boomvruchten en allerlei kruid, fchoon ze ook vogels, padden, haagdisfen en wurmen met graagte verflinden, en de grootfte foort ook op viervoetige dieren en menfchen aanvalt. Er zyn fommige flangen gedood welken, geopend zynde, een geheel Hartenbeest van middelbaare groote, andere een wilden bok en weder andere een ftekelverken in den buik droegen, doch deze laatfte dieren zyn haar doodelyk, wyl de pennen zich in heure lighaam uitzetten en die doorbooren ; gelyk die dan ook dfkvfeyis in doode Hangen gevonden worden; onder alle dieren zyn de Koeijen en Paarden het meest aandoenlyk. voor heur vergif, doch de verkens hebben er geene of immers flegts eene 'zeer geringe aandoening van; tot het geheel inflokken dezer groote lighaamen dient haar voomaamlyk de -zonderlinge eigenfchap, die zy, boven alle andere dieren, bezitten, van in ééns den adem

zo

Sluiten