is toegevoegd aan uw favorieten.

Werken van de Maetschappy der Nederlandsche letterkunde te Leyden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•j>33 ANTWOORD OP DE

Dit alles heeft geen bewijs van nooden; Die een goed Heldendicht zal ■zingen, moet vooraf kennis hebben van het Land en Volk daar de Held ■t'huis hoort; van de ligging, wetten, gebruiken, enz. van dat Land; Die een goed Toneelfluk denkt te geeven, moet vooraf menfchen en zaaken, moet de wereld, kennen; Die een didactisch ftuk geeft, moet zijn onderwerp grondig verftaan , en elk, die eenig ftuk, in rijm of onrijm, vervaardigt, moet dat verftaan; virgilius zoude, met zyne verwonderlykegenie, elendige georgica gezongen, en cicero zoo veele gewichtige gefchillen flecht bepleit, hebben, zoo zy der zaaken onkundig waren geweest; De Abt de polignac hadt in zijn dichterlyke wederlegging van lucretius, en thomas in zijn fchoon Elogevan cartesius, eene diepe kennis van Wijsgeerte noodig; van winter moest de Natuur kennen die hy in zyne Jaargetyden fchildert , en daguesseatj (a) de onderwerpen verftaan die hy zo welfpreekend verhandelt.

Doch 't is deze kundigheid van 't bepaald onderwerp alleen niet, daar ik op aandring; Ik verlang daarby dien ryken geest, dat geftoffeerd brein, waaruit altijd, door de grootere verfcheidenheid, eene meerdere bevalligheid in alle werken van vernuft, van welken aart ook, geboren wordt; Ik verlang eene ruimte van denkbeelden, en roep met horatius onzen Dichteren toe (b):

vos exemplaria Graeca

Nocturnd verfate manu, verfate diurnd.

Leest

(a) Zie zyne Difcours & Oeuvres-mtléit-, Paris 1773»

(b) horatius ArU Poet. vs. 2.6S.