is toegevoegd aan uw favorieten.

Werken van de Maetschappy der Nederlandsche letterkunde te Leyden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P R IJ S V R A AGFA N 1777. 23?

Leest nacht en dag der Grieken werken, Om uwen geest mee kundigheên te fterken.

hou A t i ü s.

en met cicero onzen Redenaaren (a).

Orator fit mihi tinctus litteris, audierit aüquid, Jegerit. „ Een Redenaar moet geftudeerd, moet gehoord, moet geleezen hebben ".

c i c e ro.

Men neeme de proef hier van; zelfs in de geringfte ftukjes: Men zal dezelve altijd behaagelyker vinden, naar maate men meer verrast worde met denkbeelden, welken men daar niet verwagtede, en die daar echter , door eene bevallige fchikking, wél te pas koomen; Ja een Dichter of Redenaar, die, zonder zyne geleerdheid te vertoonen, dezelve op eene befcheiden wyze tot ons vermaak befteedt, die, zonder ons te vermoeien, ons geftadig wat nieuws aanbiedt, kan niet misfen ons zoo veel meer te behaagen, als wy allen meer vermaak hebben in overvloed dan gebrek. — Ziet daar dan, ö Dichter en Redenaar! uwen pligt; en ziet daar tevens uw belang, u door petronius reeds aangewezen (b).

His animum fuccinge bonis, fic fiumine largo , Plenus, Pierio defundes pectore verba.

In*

(a) ciGEito de Orat. lib. II. XX. p. m. 374, 375(&) rn. init. p. m. 5.