Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOT EIGEN OORDEEL IN DEN GODSDIENST. 19

uitdrukt (*) , van de kinderen alleen verfchillenn , in hunne gryze hairen en lange baarden , en die, daar zy zich tot eene oppervlakkige kennis van de zaken dezer waereld naauwlyks verheffen kunnen , -althands niet in {laat zyn, om zaken van den Godsdienst behoorlyk te overwegen, alles te beproeven, en het goede te behouden.

Groot is daarboven het aantal der zulken , wier natuurlvke verftandsvermogens , ja, wel gefteld zyn , doch wien de gelegenheid volftrektlyk ontbreekt, om zich behoorlyk te befchaaven, en den Godsdienst, met die naauwkeurigheid, te onderzoeken, welke nodig is, om alles, wat daar toe behoort, of als zoodanig voorkomt , zelf te kunnen beöordeelen. Zalmen den Landman ,'en den Handwerkman , die in het loon hunnes noestigen arbeids ter naauwer nood een toereikend onderhoud, voor zich, en voor hunne, dikwyls kinderzalige, huisgezinnen, vinden kunnen, — zalmen den bezigen Winkelier, den dienstbaren, en dergelyke andere menfchen, waar uit de grootfte menigte eenes Voiks beftaat, vergen, dat zy zich op het onderzoek van den Godsdienst, met dien yver , toeleggen , als nodig is, om, in eene zoo groote verfcheidenheid van gevoelens, het'ware van het valfche voorzigtiglyk te kunnen fcheiden ? De Landman moge dan zynen ploeg, de Handwerkman zynegereedfchappen, wegwerpen, om de heilik talen, de Wysbegeerte, de Oudheden, en de Ge-

° fchie-

{*) Philop. opp. vol. II. p. 342- edit. Amftel.

C 2

Sluiten