Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l6 over de eigenliefde, als het algemeêne

door hy Verfch ei denheid, of wisfeling, of eene maatige verandering, hoedaanige aan Zintuigen, aan den Geest, of wel aan beiden, bezigheid verfchaffen kan, lief heeft , en inzonderheid het nieuwe met gretigheid zoekt;'en, zoo het zich maar niet afzichtelyk voordoet , met eene blyde verrukking befchouwt. Gelukkige wending onzer gevoelige Natuure , zoo krachtig en onwederftaanbaar in de fpeelende Kindsheid, dat zy hier door tot eene geduurige nabootzing van anderen geneigd is (16): zoo veel vermogend door ons geheel zinnelyk leven; als gefchikt ter beantwoording aan de eindoogmerken onzer fcheppinge, volgens welke nut, en genoegen, altoos hand aan hand gaan (17).

Men denke het bovengezegde na, men pasfe het toe op zyn geheele leere, zelfs op de gedaanten der ligchamen, welke hutcheson , de zaak, misfchien te veel, uitpluizende (18), boven andere fchoon acht; men vergelyke inzonderheid hier meede de keurige aanmerkingen van addison in den Spectator (19): en dan zal men het zeker overbodig achten de een-

vou-

(16) Ariestoteles heeft naamelyk den Mensch aangaande te recht aangetekend. Ta rê yxa jAtpin^xi ïu/aQjtov rei? a\h(a>7rois tx- TtouHvv i$i , kcu t%tw hx<pigoiTi rm ct\hov oti fAijAvjTnxTXToy De Arte Poëtica.

(17) Cicero de Finib. l.v. C. 18, & locke on 11. i/.B.i. Cb.3.§6\

(18) Hutcheson Cited n. 15.

( '9 ) Tbc Spectator Tom. VI. No. 412.

Sluiten