Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

232 over de eigenliefde, ALS HET algemeene

dat , wanneer men op hare ene zyde de goederen der ziel en op de andere die des lichaams met die der fortuin gelegd had , gene zyde het overwigt hebben zoude, al voegde men by deze ook de aarde en de zeëen

Maar het is aan het gevoel, dat het te beflisfen Haat, of de Epicureërs met recht de vermaken deiziele, die zy niet van het lichaam kunnen afleiden, aan de eigenliefde toefchryven; wy hebben thans te beflisfen , of men hun die gewaarwordingen der ziel, die bekoringen der wetenfchap , waarin vele wyzen het geluk hebben gefield , afflaan moet ( b ). Die liefde tot het fchone, welke plato zo fchoon befchreven heeft, en die in de wysbegeerte zo wel als in de tale der ouden, zo vele heerlyke wendingen en beelden heeft daargefleld, en in de latere tydvakken van den fmaak , veroorzaakt heeft de mystieke en overdrevene voortbrengfels van een vernuft, dat door de gehele wereld geliefd en bewonderd is (c); die neiging van nieuwsgierigheid, waarvan cicero zegt, dat -de" kinderen zelfs niet door bedreigingen nog vrees (d) af te brengen zyn ; die zucht tot nabootfing, die den fchranderen aristoteles van den mensch deze bepaling heeft doen geven, dat hy

een

(.a) Tuscul. Quaefi. 17.

Aristoteles in 't byzonder, CO Fe n e l o n Maximes dis Saints. {d) Cicero de Finibus.

Sluiten