is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen, raakende den natuurlyken en geopenbaarden godsdienst, uitgegeeven door Teyler's godgeleerd genootschap.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

420 VERHANDELING OVER GODS

der leven is dan het tegenwoordige, en geen hooger recht dan het menfchelyke: dan kunnen we begrypen, dat deeze ftaat een rechte proefftaat is voor de menfehen ; een ftaat, waarin zy volkomene blyken van eiken graad van deugd of boosheid, die zy bezitten of verkrygen, kunnen geven : waarin de menfehen, zoo zy goed willen zyn, geduurig gelegenheid vinden, om beter te worden, om hun geloof te verfterken, om hun hart en genegenheden te heiligen; waarin de kwaaden altoos ruimte en vryheid vinden, om van kwaad tot erger voort te gaan, tot dat zy dé maat hunner zonden vol gemeeten hebben.

Het is niet ftrydig met Gods Heiligheid en zyne Liefde tot zedelyke rechtheid en deugd zyne fchepzelen te ftellen in eenen ftaat,zoo vol van mogelykheid voor twyffeling en dwaaling, en dus van ruimte tot zondigen; integendeel moet Gods.Heiligheid voor dereden hier van gehouden werden: want zonder dit zoudenonze daaden niet beloonbaar kunnen zyn. Zoo der menfehen deugden edel, volkomen vry, en niet afgeperft zouden zyn, dan moeft in deezen ftaat ruimte zyn beide voor ongeloof en voor ondeugd; en zo dra deeze weggenoomen worden, zal geloof en deugd noodzaakelyk moeten zyn; en voor elke gelegenhaid om te kunnen zondigen, die uit deezen ftaat weggenomen wierde, zou men tevens eene gelegenheid tot deugd verliezen : zoo het dan onmogelyk ware voor den menfch, om tot een ftaat van twyffeling en ongeloof aan Gods Voorzienigheid te -kunnen vervallen, dit zou de waarde van geloof en gehoorzaamheid zeer veel verminderen